is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen, raakende den natuurlyken en geopenbaarden godsdienst, uitgegeeven door Teyler's godgeleerd genootschap.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152 VERHANDELING OVER 's MENSCHEN

dit denkbeeld my overal volge! Neen, Heeren, neen. Dat is te veel geeischt. Eene betoverend fraaje redenkunde, maar die niets heeft, om ons voor te lichten of te geleiden, zal die bewustheid, dat inwendig gevoel onzer vryheid, nooit verdooven, dat van de menfchelyke natuur onaffcheidbaar is, en de wroeging verzwaart, zelfs van hun, die, in hunne afgetrokken befpiegelingen, de vryheid als een harsfenfehim aanzien. — Met een woord, te verdeedigen, dat men, meenende te denken, niet denkt, is geen hair ongerymder, dan te beweeren, dat men, meenende vry te zyn, niet vry is.

Na dit alles, dunkt ons, hebben wy regt, om te befluiten, dat de menfchelyke daaden gebeurlyk zyn, en dat zy anders hadden kunnen weezen, dan zy indedaad geweest zyn, in alle gevallen, naamlyk, daar geene overheerfchende kragt buiten den mensch heeft plaats gehad. Wy vestigen 's menfchen vryheid niet op eenen ftaat der ziele, waar door zy voor beweegredenen onverfchillig is; en wy hebben reeds gezegd, dat de wil zig niet bepaalt, zonder of tegen beweegredenen; want in dat geval zou de wil zyn weezen verliezen, het welk beftaat in het goede na te jaagen; en dezelve zou zig bepaalen zonder oogmerk, dat ongerymd is. Indien er ooit onverfchilligheid beftaat, zullen wy met Descartes zeggen, "dat zy de laagfte „ trap der vryheid is, en veeleer gebrek van kennis, ,, dan volmaaktheid in den wil doet zien. Want Q:er„ volgt die groote man) indien ik altoos eene klaare „ kennis had van 't geen waar en 't geen goed is, zou

„ ik