Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onredelyke zielen derzelver beflemming na dit leven.

Straf van den Tartarus.

1 j I

Of de Eli- } fefche velden voor j altoos , "joierden betrokken. ]

< t

}

2

422 de gevoelens der oude wysgeren

denkbeelden van een altoosdurenden ftaat in tegenoverftelling van een tydelyken ingevoert.

De grove ziel, of die, welke de zitplaats der zinnen en begeerlykheden was, moest volgens de begrippen der oude Grieken eindelyk worden vernietigt (a)\ maar ze bracht in het onderaardfche ryk lidtekenen en wonden mede, getuigen en kenmerken van fmetten, waarmede ze in dit leven was bezoedelt, welke van dien aart waren, dat ze door de fcherpziende oogen der helfche Richteren zeer ligt wierden ontdekt. Deze vlakken moesten worden gezuivert, en, zo dit onmogelyk was, wierd de ziel tot den Tartarus veroordeelt, gelyk ons Plato (£) in zyn Gorgias leert, in welk werk hy vooral de volksbegrippen syner tyden gewoon is te volgen, gelyk door Warjurton en anderen reeds is aangemerkt. En deze ftraf'en van den Tartarus waren zonder einde, gelyk de Duden eenftemmig getuigen. Dog, of dé zielen, welce de woningen der Elifefche velden betrokken, ook gehouden worden altoos daar te blyven, kan met geen /olie zekerheid worden gezegt. Ik wil echter dit liefst net Mosheim (f) bevestigender wyze beantwoorlen, en geloven, dat, volgens de oudfte Griekfche >egrippen, het de reeds gezuiverde zielen waren, /elke die velden betrokken, om ze nooit te verlaten. Vant, volgens deze vinden wy niet dat menfchelyke ielen den hemel konden bereiken, uitgezonden alleen

fa) Mosheim als boven ii, 1045. (J>) In Gorgia p. 313. edit. ann. 1590. CjÓ Ter aangehaalde plaats II, 1044.

Sluiten