Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BY DE OPKOMST VAN MOHAMMED. 235

gen; een vyand van den afgodendienft; die reeds in eenen goeden reuk by zyne landgenooten was, wegens zyne zedigheid, godsdienftigheid, en byzonderen eerbied, welken hy voor 't opperwezen liet blyken; fchoon men naderhand zeer duidelyk gezien heeft, dat hy door eerzugt en welluftigheid beheerfcht wierd. Wat kon nu zulk een man niet uitwerken op het gemoed van diep onkundige menfehen? gelyk te dier tyd de Arabiers, de Syriers, de Perfiaanen, en de meefte Oofterfche volken waren. Want, om eene verlichte en heiligende kennis van den godsdienft uit te breiden, daar van wierd toen, gelyk we gezien hebben, geen werk gemaakt. De belangens van den godsdienft wierden verwaarlooft. Wat kan men onkundige menfehen niet al wys maken? voor al in zaken van godsdienft. Hoe ligtelyk kan men hen misleiden? Mohammed kon daar te boven een ieder gemaklyk beduiden, dat de godsdienft vervallen moeft zyn onder zulke volken, die Gode nog andere voorwerpen van vereering toevoegden, die zoo droevig met eikanderen overhoop lagen, en over woorden en zaaken twiftten, welke- zy niet verftonden. Zyn godsdienft was in tegendeel eenvouwig, klaar, verftaanbaar, afkeerig van fpitsvindige redenceringen; en, zoo als 't zich liet aanzien, op de oude infteliingen, en op de klaarblykelyke waarheid van de goddelyke éénheid gegrond. Hy eerbiedigde het karafter van Abraham, Mofes, Chriftus, en de andere Propheeten, maar de Chriftenen hadden, naar zyn voorgeeven, de leere van die godsgezanten bedorGg q, ven»

Sluiten