Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN ZAAKEN VAN DEN GODSDIENST. 8?

ten te verwekken; noodig gevonden, zekere afgetrokken en ingewikkelde vraagen uit te denken, die hun -eigen vernuft en dat van anderen konden oefFenen, eene onmiddelyke verfcheidenheid van gevoelen voort'brengen, en gefchillen in 't oneindige baaren. Deeze Hukken, door hen, die ze fmeedden, vertoond wordende , als de ziel en het leeven van den Godsdienst raakende, trokken de gedagten der menfehen af van het aankweeken van waare Godsvrugt, en vestigden die op dingen, welke daarmede weinig of niets te fchaffen hadden. Terwyl de menfehen onder den fchyn van Godsdienst, ftreeden voor 't geen zoo luttel bezat van deszelfs weezen, is 't geen wonder, dat hunne handelingen met hunne beginfelen ftrookten, en dat zy misdaaden begingen, en onheilen bewerkten, zoo onteerende voor den Godsdienst, als verderffelyk voor het menschdom. Te regt merkt daarom Hilarius van Poitouvery aan, dat, terwyl de Godgeleerden eikanderen beftreeden over woorden, terwyl zy duistere en ydele vraagen verhandelden, die hen in aanhangen en partyen verdeelden, en terwyl zy eikanderen ter Helle doemden, niemant hunner Christus toebehoorde, en de geheele Kerk in Kenteren gefcheurd wierdt, niets Christelyk, dan den naam, behoudende.

Wanneer wy letten op alle deeze gewrogten van den Meesteragtig beflisfenden geest, die zig tegen het gebruik der reden en »töry onderzoek in den Godsdienst

ver-

Sluiten