Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*48 DE ONVERSCHILLIGHEID

[tellen. De een acht wel den eenen dag hoven den anderen dag: Maar de andere acht alle dagen gelyk. Een iegelyk zy in zyn eigen gemoed ten vollen verzekert. Die den dag zuaarneemt, die neemt hem waar den Heere: En die den dag niet waarneemt, dfe neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hy dankt God: En die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hy dankt God. (*) — Zo dan laat ons najaagen 't geen tot den vrede, en het geen tot de [iichtinge onder malkanderen dient. (**) Wandelt waardiglyk der roepinge , met welke gy geroepen zyt: Met alle ootmoedigheid en zagtmoedigheid, met langmoedigheid, verdraagende malkanderen in liefde: U henaarftigende te behouden de eenigheid des Geests door den band des vredes. (***)

Uit al het voorgaande is nu gemakkelyk op te maaken, dat zvy voornaamelyk voor de deugd moeten yveren.

Wy hebben gezien, dat het de onverfchilligheid is omtrent een Godsdienstig leeven, waar uit de grootfte nadeelen voortvloeien. Schoon wyderhalven verpligt zyn voor de waarheden van den Godsdienst verftandig te yveren, om dat de regte kundigheid van dezelve zo gefchikt is ter bevordering van eenen heiligen wandel; niets echter moet een regtfchapen mensch meer ter harte

(*) rom. xiv. 3-6. gaan?

(**) aldaar, vers 10. (***) Eph. IV. i, a, 3.

Sluiten