is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief van Paullus aan Filémon in leerredenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Filémon" vs. 4—7-

73

cn , onder dien invloed , alle gelegenheid tot goeddoen waar te neemen.

III. Eindelijk ten derden , Paullus leert ons deel te neemen in al het goede, dat wij in anderen befpeuren , of van hun verneemen , en van al dat goede , dat in ons zelve en anderen plaats grijpt, Gode alleen de eer te geven. Dat eischt de aart van het Christendom. Hebben wij liefde voor -fcfus ; dan moeten ons alle harten , in welke Hij geloof en liefde gefticht heeft, dierbaar pan4 Maar groeit 'er geene vrucht van geloof en deugd , in den grond van een natuurlijk verdorven, cn.van God en Zijnen dienst afkeerig hart; dan zijn wij ook even zoo zeer.als Paullus verplicht, van al het goede alleen aan heerfchappijvoerende genade de eere toe te brengen. Een Christen behoort hier in te meer zijn vermaak te vinden; daar even dit de voorfmaak en voorbereiding van het God en Zijne genade verheerlijkend Hemel-leven is. — Vooral is dit een en ander de plicht van rechtfehapenc Euangelie-dienaars , die hunnen fchat in aardene vaten dragende, flechts werktuigen zijn, en zonder de Godlijke genade niets vermogen. — Paullus voorbeeld zij dan in dezen mij en u, Geliefden! ten regel. — En gunt mij, dat ik 'er u, Godvruchtigen! bijzonder bij bepaale. Schat gij tog alle genade , die geloof in liefde werkzaam voordbrengt, waar, en bij wien gij ze ook aantreft, zoo wel als die, door welke gij uwe eigene harten gevormd vindt, hoog. Wacht u voor alles wat naar vitzucht, of verachting van goede E 5 da"