Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LYCURGUS. 21

en zig vervolgens onbepaald naar zyne ihrigtingeh te fcbikken. Daar tog, uit dusdanige verwarringen en losbandigheid, als tot hiertoe hadden plaats gehad, eene algemeene onvergenoegdheid ontftond; en niet anders dan eene volftrekte regeeringloosheid en ondergang van den ftaat te dugten was; werd dit befluit noodzakelyk gemaakt. Een volk is nimmer mesïder geneigd om zig aan het bellier van éénen te onderwerpen, dan wanneer het onderling misnoegen, over haren tegenwoordigen toeftand, by hetzelve een ondragelyke last is geworden. Dit heeft de ondervinding meer dan eens bevestigd. Men meent alsdan, dat elke verandering verbetering is. Plutarchus meldt ons ook, dat men te dier tyd befefte, dat de koningen (want Sparta werd door twee koningen (l) beftierd) niets meer dan den naam hadden, en voor het overige van het volk niet onderfcheiden waren.

Met opzigt tot de zeden en gewoonten der Spartanen te dier tyd valt weinig te zeggen. Het geen

des-

(i *) Het is bekend, dat deze gewoonte zynen oorfprong had in de gelykheid van Eurysthmes en Proclus, tweelingen en zoonen van Arifttdemus, welke, van eikanderen niet kunnende onderfcheiden worden, beide tot koningen verklaard werden, z. hehodot, L. VI. c. 52. dus men deze gewoonte, meer als het gevolg van 't geval, dan als eene ftaatkundige inrigting, befchouwen moet; fchoon Plato ze zodanig, a posteriori, befchouwde; L. III. de Legib. p. 692, dezelve egter aaa eene godlyke beftiering toefchryvende.

C 3

Sluiten