Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 TAFELEN.

deRolle van Ezeehicl, C. IÈ 10. Zo mogt Ö men denken, ware liet oogmerk geweest, e. Sm deeze Tafelen in de hoogte op te rich- h ?en en openlvkten toone te zetten, opdat a ze dus van allen te gereeder zouden kunnen w Sleezen worden : Maar nu het oogmerk o ïï ze in de Arke op te fluiten, is h daaf geen reede voor. 't Eenvouwdigfte k 1\ a? mecfte waarfchynlykheid hebben: l Dat "relvk 'er ivm tafelen waren, die > eök 'Afe befchreeven waren in twee ko- v lommen, de eene aan de rechter- en de an- 1 dnre aan de flinkerzyde. (y) Door wien vva- \ ren ze Jefchreeven. 'Erwordt gezegd, dat | « befehreéven warm met de vinger Godts. t Fvod XXXI: 18. Elk die dit leest, zal v Vr /i'ch eereedelyk dit denkbeeld van maa- £ ken dat deeze infnydinge der Letteren i door een onmiddelyk en almagtig beveljan Godt gefchied zy. ^e Geleerde «aar op de Algem. Hifi. D. II. p. 648. wil evenwel, dat dit flegts eene figuurlyke fnrerkwvze zv, die met anders zegt, dan ( %[1eea Ge&denflpG^« Wgefchree- f ven zyn, zo dat Godt de Ingeever, maar Mofes dé Schryver 'er van zou geweest 7vn Maar de woorden koomen voor in «11 Uiflorifchen, en niet in een Poetifchen 1 en Prophéetifchen ftyl ; en in zo eenen ftvl komt het Figuurlyke zo niet te pas. 1 En n ogTen de bovengemelde woorden nog Set duidelyk genoeg zyn, men voegt er , dan nog by 't geen gezegd wordt Exod. XXXn? 16. Die'zelve'Tafelen waren God s Werk, '/ Gefchrift was ook Godts gefchrift, Zde Tafelen gegraveerd, welke woorden , zonder S-öoldeel ingezien zynde, deezen fenvouwdigen zin opleeveren, dat beide, de Tafelen en het Gefchrift, Godts maakfel waren, (nn) Het einde en oogmerk deezer Tafelen is op te maaken uit de benaaminse , die 'er aan gegeeven, en t gebruik, 't welk 'er van gemaakt is. De Geboden , die 'er op gefchreeven waren, «eeten de Woorden des Verbonds, Exod. XXXIV: ad. En de Tafelen zelve, de Tafelen des Verbonds, Deut.IX: 15- Maar vervolgens heetten ze ook het Getuigenis,Exod XL: ao. En de Tafelen der Getuigemffe ,ExOd: XAA1. 18 Om dat ze ftrekkeii'moeften tot beltendie Getuigenis van het Verbond, t welk Godt over deeze woorden met zyn oude Volk gemaakt hadde; want uit het geene 'er op gefchreeven was, zou ten allen tyde kunnen gezien worden, welk eene betrekjcioge 'er was tusfehen Godt en zyn Volk;

TAFELEN.

y, aangemerkt als hun Godt, en zy als ■n Volk, 't welk Hy uit Egypte verlost ïdde, om Hem tot een eigendom te zyn; s mede welke de Pligten waren, welke aar te neemen zy ve'rbondswyze hadden 3 zich genomen. Mag ik het, naar onzen klendaagfchen Spreektrant eens uitdrukïn: Deeze Tafelen waren als de gouden ul, de Kapitulatie tusfehen Godt en zyn rolk, en moest daarom, om van het fchiet'ormken niet doorknaagd te worden, ge;hreeven worden op Tafelen van Steen; en oorts, als een oorfpronglyk ftuk, welks eloofwaardigheid nooit zou kunnen 111 ■vyffel worden getrokken, ter bewaannge fech^elegd worden in 't binnenfte derneihe Archive, in de Verbonds - Arke, boven velke Godt, als Israëls groote Koning, zye Maiefteit deed woonen tusfehen de Vleuels der Cherubynen. (3) In 't byzonder lebben wy aan te merken, dat 'er Tweewal zulke Wettafelen befchreeven zyn.

De Eerfte waren door Godt zelv "maakt en befchreeven, en werden door fem gelyk Hy te doen beloofd hadde ï'xod. XXIV: 12, aan Mofes ter hand geleld, na dat Hy geëindigd hadde met hem c fpreeken op den Berg Smai, Exod. aa ai. [8. Maar toen Mofes, van den Berg afgeclommen zynde , vernam de fnoode Afgolery, welke het Volk in zyn afweezen gejleegd hadde met het gouden Kalf, wierp by die, in de onifteekingc zynstoorns, ter larde , en verbrakze , Exod. XXXII: 19. Üit fpyt en yver over eene zo grouwelyke andaad , wierp hy die Tafelen ter aarde, 3m te toonen , dat die van geen dienst meer waren, na zy het Verbond zo fchandelyk gefchonden hadden. Dit gefchiedde uit geen onbezuisde en zondige drift, want nergens leezen wy, dat hy deswegens van Godt berifpt, maar wel, in tegendeel, dat hv, wegens zyne ongemeene zagtmoedighèid, gepreezen is. Zyn yver was dan een yver Godts, en wy mogen van hem zeggen, dat hy in deezen tot een vooroeeld (trekken kan van desApoflels vermaining: Wordt toornig, en zondigt niet, Epnel. IV: 26. Naderhand evenwel, na dathy s Volks berouw gezien hadde, en de gepleegde ondaad gewrooken was, trad hyweêrby Godt in voor het Volk, en hield daar by zo lang en fterk aan, dat Godt zich eindelyk liet verbidden, om het Verbond wederom tevernieuwen met het Volk. (33) En dit gaf aanleiding tot het vervaerdigen der tweede

Sluiten