Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOLLENAARS.

Schriften des N. Teftaments van Tol en Schatjinge, Matth. XVII: 25, Rom. XIII: 7. De •Schattinge werd geheeven van de Perfoonen, by wyze van een Hoofdgeld, en van de vaste Goederen: En de Tol van ingebragte en uitgevoerde Waaren en Koopmanfchappen, I Mach. X: 29.

TOLLENAARS. Daar Tollen moeten betaald worden , moeten ook Tollenaars zyn , die ze inzaamelen. Salomo fchynt 'er reeds gehad te hebben, die van den Koophandel der Kruideniers , en den uitvoer der Paerden , die hy uit Egypte kreeg, aanzienlyke fommen in des Konings Schatkist bragten, 1 Kon. X: 15, 28. En hebben de Perfifche Koningen van de Jooden cyns, impost en lol doen vorderen, 'er moeten ook bedienden tot die invordering geweest zyn , Ezr. IV: 13, 20. Inzonderheid had men by de Romeinen ook Tollenaar;. Die geenen, die van wegens den Keizer of Roomfchen Raad den algemeenen ontvang hadden van de Tollen in de Wingewesten , waren doorgaans lieden van aanzien •en Redderlyken rang. Uit Cicero en anderen is te toonen , dat het Tollenaars-Ampt bekleed werd by zulken, die aangemerkt wierden de bloem der Ridderfchap, het fieraad der Stad, en 't fteunfel van het Gemeenebest te Myn. Van die werden de Tollen over -een zeekere Stad of Landftreek gepagt voor ►eene zeekere jaarlykfche fomme gelds : Zodanig een fchynt Zacheus geweest te zyn, die als een ryk man, en Over/te der Tollenaarcn wordt omfchreeven, Luk. XIX: 2. Van dat foort fchynt ook geweest te zyn die Johannes, •<lie een Tollenaar was, en als een Man van aanzien en vermogen alleen genoemd wordt onder die Joodfehe Edelen te Cefareë, die om de gunst van dep Stadhouder Florus, in zeeker geval, te winnen, hem eene verè'ering deed van acht talenten zilvers. Jofephus J. Oorl. B. II. C. 25, naar de uitg. van L. v. Bos. En naardien het beneeden den rang van zulke lieden was, en het hun ook te lastig viel, geheel den dag op de Bruggen, 'by de Wegen en aan de Zeehavens te ftaan tot het invorderen der tollen, zo hadden die wederom mindere Bedienden, die de fluikeryen weeren en de tollen invorderen moesten : Die waren doorgaans van geringe geboorte en van flegten inborst en gedrag: Stout op hun ampt en gezag, misbruikten die hetzelve al veel om den Menfchen den uiterften penning, en dikwils meer dan hun toequfim , af te kneevelen, en zo zich zelden te verryken, of ten minften lui en lekker

TOLLENAARS. 243

te leeven ten koste van't Gemeen. Zo deeden de

mindere Tollenaars, en zodeeden veel al ook hunne Tloofden. Onder die was de Joodfehe

Zacheus, Luk. XIX: 8, een zeldzaam Man; als ook de Romeinfche Sabinus, wiens eerlykheid ter eere, de Steden van Afic een Standbeeld hadden doen oprichten met dit Opfchrift: K«aw? rsA«nfr«v«, aan den goeden, of eerlyken Tollenaar. Suetonius in vit. FU Vespajiani C. I. Naardien nu Judea, ten tyde van den Heere Jefus een Wingewest der Romeinen geworden was, die dus ook fchattingen en tollen deeden heffen van de Jooden, zo leest men ook in de Schriften des N. T. dikwils van Tollenaars, 't Was een misvattinge van Tertulliaan, welke door Hicronymus wederlegd is , dat geen Jood een Tollenaar was, maar dat het alle Heidenen waren. Die Johannes van Cefareë, van welken wy zo even gewaagden, was zeekerlyk een Jood; insgelyks Mattheus, door den Heiland uit het Tolhuis geroepen om Hem na te volgen, Matth. IX: 9, en naderhand tot het Apoftelfchap verheeven , C. X: 1 en 3. Als ook Zacheus, die een Zoon Abrahams genoemd wordt, Luk. XIX: 9. 't Welk zo wel ziet op zyne afkomst, als op zyn eerlyk beftaan. Zeekerlyk waren het ook die Tollenaars, die tot Johannes quamen om gedoopt te worden, Luk. III: 12. De Staatkunde der Romeinen bragt ook mede, datzy in de Wingewesten Inboorelingen mede gebruikten tot het heffen der tollen en fchattingen , om daar door dat zo zeer gehaat werk minder haatelyk te doen voorkoomen. Zo teekent Lardner uit Cicero aan, dat, wanneer in het Wingewest van Sicilië , om de vyf jaaren, een nieuwe opfchryvinge werd gedaan, eenigen uit de Siciliaanen tot Onderfchatmeefters of Inzaamelaars wierden aangefteld. Maar fchoon Jooden zynde, waren zy "by de Jooden doorgaans zeer gehaat, waar van men deeze reedenen geeven kan. (H) Dat zy zich veel lieten voorftaan van hunne vryheid, en 'er zeer moedig op waren, dat zy Godts eigen Volk waren. Daar van daan die ydele roem: Wy zyn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend, Joh. VIII: 33. Hier van daan, dat zy ongaerne de Opperheerfchappy van den Keizer erkenden. Jofephus teekent aan , dat fommigen zich liever door allerlei pynigingen wilden laaten afmartelen, dan bekennen , dat .de Keizer hun Heer was. Aan eenen uitheemfchen Vorst, die nog daar en boven een Heiden was, fchattinge te: moeten betaalen , ftond hun geweldig tegen de

H h 2 borst.

Sluiten