Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5iiö UÏTNEEMENDHEID.

hem gegeeven, op dat hy zich op de Uit- > neemendheid der Openbaaringen niet zoude . verheffen. 00 Hoogheid van ftaat, of voorrechten baart ligtelyk verheffinge des harten en die zich daar aan overgeeft, vervalt ligtelyk tot het bedryf van zeer grouwelyken moedwil. De Voorzigtigheid heeft daarom de Menfchen geleerd, zich, by deeze en geene verhovaerdigende gevallen, van eenige middelen te bedienen, om die te dempen. Uit de ongemeene beleezenheid van mynen hoogst-gcëerden Vriend, den Hr. Hof [lede, zal ik hier van eenige voorbeelden bybrengen. „ Menigerlei dingen-hadden de Oude Romeinen uitgedacht, om den Triumpheerenden Veldheer, in 't midden zyner grootfte pragt en ftaatfie, verneederende denkbeelden in te boezemen: Onder de vleiendfte toejuichingen, was het den Krygsknegten toegelaaten hem verwytingen te doen, en te befchimpen. Slaaven mogten geen andere dan yzeren ringen draagen, en zo een' ring moest de Veldheer ook aan zynen vinger hebben, fchoon die by zynen anderenopfchik in 't geheel niet voegde; en hy mogt de trappen van het Kapitool niet anders opklimmen dan kruipende op zyne kniën—. Naar't getuigenis van Philojlratus waren in de Gerichtzaal te Babel opgehangen vier Jynges (een foort*-. van Geesten) den Koning als vermaanende, om zich niet te verheften boven 't geen eenen Menfche betaamt. O. Dapper verhaalt dit 'er van: „ Daar was een uitfteekende gaan„ dery, waar in de Koningen gewoonlyk „ ten gerichte zaten. Het gewelf was „ fchildwyze geflaagen , en geheel met „ Saffieren bedekt, en verbeeldde, door „ de gefchilderde beelden der Goden , de „ gedaante des Heemels. Aan het gewelf ,, hingen vier gouden Vogels, Draaihal„ zen, of Kwikftaarten geheeten, die de Koningen vermaanden, dat zy zich niet ,, zouden verheffen boven de Menfchen; „ want, om dat deeze Vogel geduurig zyn ,, hals omdraait, of ftaart beweegt, zo „ hebben zy daar door de wisfelvahïgheid en onbeftendigheid der Fortuin willen „ afbeelden." In nieuw Spanje wordt de Koning, op den dag zyner Krooninge, met twee katoenen rokken-, de eene blaauw en de andere zwart, bekleed, waar op veele hoofden en doodsbeenderen gefchilderd ftaan , om hein te herinneren, dat hy, gelyk zyne Voorzaaten, eens zal moeten fterven ; ook doen zy hem eenige verontwaer-

UÏTNEEMENDHEID.

liging aan, en dry ven met hem den fpot, \ls de Keizer van Tartaryen gekroond wordt, •loet men hem nederzitten op een ruuw deed, of op een huid, en men fpreekt hem aan met deeze woorden: ,, Zie om hoog en „ erken Godt; en let om laag op hetruuw „ kleed daar gy op zit. Indien gy uwen „ ftaat wel beftuurt—, Godt zal u geeven „ al wat uw hart kan wenfehen. Maar indien gy anders doet, zult gy elendig, „ veragt en zo arm zyn, dat gy zelfs het „ kleed, daar gy tegenwoordig op zit, niet „ in uw magt zult hebben." Den Koning van Pegu kroonde men op een a^chgraauw laaken, om hem te doen gedenken, ftof en asch te zullen worden." Zie de bovengemelde Byzonderb. p. 342— en 343 en 344. de Aanteek. Hebben wy voorheen Voorbeelden bygebragt van Begenadigden, die zich lieten vervoeren door de verheffinge hunnes harten; Iaat ons nu ook aanmerken , wat de Heere deed om ze te verneederen , David moest terftond daar na ondervinden, dat Godt zyn aangezigt verborg , en hem verfchrikte, Pf. XXX: 8. Hiskia werd beftraft en gedreigd, en daar uit merkte hy, dat een groote toornigheid tegen hem was opgegaan, 2 Chron. XXXII: 25, 26, verg. 2 Kon. XX: 17-19, Jef. XXXIX: 5—8. Hoe fcherp en verneederend was het antwoord, waar mede de Zoonen van Zebedeus wierden afgeweezen, Mark. X: 38—40. En hoe zeer Petrus, die boven alle de Apostelen wilde uitmunten, doorzynen fchandelyken val beneeden allen verneederd werd, is aan elk bekend. Uit zo veele Voorbeelden is te zien, dat Godt, niet maar in de Nebukadnezar s, de Her odesfen en f >ortge!yken alleen, maar ook in zyne Kinderen den Hoogmoed weder/laat, en het verheeven hart verneedert. Op dat nu Paulus zich aan zo eene zonde niet mogt vergrypen, en daar door aan Godt oorzaak geeven, om hem eene openbaare verneederinge aan te doen, welk zynen Perfoon tot fchande en zynen Apoftolichen dienst tot nadeel zou hebben kunnen ftrekken, zo had Hy hem daar voor op eene andere meer bedekte wyze willen bewaarenv Hy had hem gegeeven een fcherpen doorn in het vleefch —. (0) En wel bepaaldelyk met dit oogmerk : Opdat hy' zich niet zoude verheffen. 'Er is toch niets, 'twelk opwellenden Hoogmoed meer demnt, dan het gevoel van eene tegenwoordige r of het voorunzigt van eene aanflaande verneedering. Welk eene baldaa-*

dig©

Sluiten