Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-UITROEIJEN.

dige trotsheid was het in Sefoflris, dat h; de overwonnen Koningen deed fpannen vob zynen Wagen, en zich door die liet voort trekken! Maar wat was het niet van eeni goede uitwerkinge, toen een dier Konin gen telkens omzag, en zyne oogen hield 01 een der wielen, en toen hy na de reed( daar van gevraagd wierd, vrymoediglyl antwoordde: „ Het ryzen en daalen dei „ wielen, brengt my, O Koning! te bin„ nen de beurtwisfelingen van 't geluk: „ Gelyk ieder deel van het rad nu onder, „ dan boven is, zo gaat het ook met de ,, Menfchen; die den eenen dag op den throon zitten, Horten den anderen in ar„ moede, of flaaverny." Dit antwoord trof den Trotsaart; hy dacht, 't geen deezen overkoomen is, kan ook my wedervaaren; en hy fpande geen Koningen meer in 't gareel. Hoe veel te meer moest dan niet, niet maar het vooruitzigt van een toekoomend, maar het gevoel van een tegenwoordig quaad, Paulus, niet maar een Heidenfchen Sefoflris, maar een begenadigden Paulus, te rugge houden van trotsheeden, wanneer zyn zondig vleeseh zich zou willen verheffen, op de Uitneemendheid der Openbaaringen, en hem voorhouden : Wie van de Apostelen is u gelyk? Wie heeft,gelyk gy, de lustige Gewesten van het zalig Parddys bewandeld? Wie, gelyk gy, in den derden Heemel verkeerd en zich verblyd onder de juichende Engelenkooren ? Hoe haast, hoe laag moesten zulke gedachten niet daalen , daar hy telkens zyne bittere fnaert gevoelde T daar hy als tusfehen fmertendu Voorwen weedoende distels wandelen moest, en telkens des Satans Engel op zyde had , die hem met pynelyke en hoonende vuistflagen teisterde. INaar de Uitneemendheid der Openbaaringen was de Diepte der verncederinge dan recht gefchikt, om hem voor het uitlpatren der zelfsverhejfnge te bewaaren, UITROEDEN. Wat Manlyk is, de voorhuidhebbende, wiens voorhuids vleesch niet zal befneeden worden, dezelve zal uit haare Vollen uitgeroeid worden: Hy heeft myn Verbond gebrooken, Genef. XVÏ1: 14. Met eene zo zwaare ftrafbedreiginge heeft Godt het nieuwlyks ingefteldTeeken des Verbonds, de Befnydinge, willen aandringen, op dat men uit fchaamte en vreeze voor fmerte, die, vooral ten aanzien der volwasfenen, zwaar was, Genef XXXIV;24 » 25> de Befnydinge niet veragten, en het ondergaan 'er van van de hand wyzen mogt,. Twee

UITROEIJEN. 527

1 dingen koomen hier in aanmerkinge: Voor r eerst welk de bedreigde .Straffe zy ; en dan ,

■ over wien die wordt gedaan. Cu) De be-

: dreigde Straffe is de Uitroei/ing: Dezelve

■ ziele zal worden uitgeroeid uit haare Volken. 1 Welk eene ftraf 'er door te verftaan zy, : daar over is eene groote verfcheidenheid

van gevoelens, zo by de Joodfehe als Christen Uitleggers. Sommigen verftaan 'er door eene uitroei/ing uit den lande der Leevendigen, of, gelyk eenigen willen, door de Hooge Overheid, die den Onbefneedenen met den dood moest doen ftraffen; Of, gelyk anderen willen, door Godt zelf, door zo eenen door eenen vroegtydigen dood, als in 't midden zyner jaaren , af te fnyden. Anderen willen deeze Uitroei/inge verftaan hebben van eene Verbanninge uit, of affnydinge van de Gemeente; en dus van eene Uitfluitinge van de Gemeenfehap der heilige Dingen, uit Godts Verbond, en alle de daar aan verknogte voorrechten. Ook zyn'er, die deeze Uitroei/ing verftaan van de eeuwige verdoemenis. Zelfs vindt men 'er die alle deeze dingen te faamen voegen. 'Er zou al vry wat aan vast zyn, indien men zo menigerlei gevoelens, met de daar voor bygebragte reedenen, voordraagen en beöordeelen wilde. Die Latyn verftaan, mogen raadpleegen de twee Verhandelingen van de» geleerden d Mdrck, de Poene Excidii, die onder zyne Exercitat. Juveniles de eerfte zyn, en men vergelyke daar mede het doorkneed werk van den Hoog-Eerwaerdigen B. de Moor, Comment. Perpet. in Marckii Compend. P. V. p. 278—. Ziet hier wat de doorzigtige Witfius 'er van fchryft Oecon. Foeder. L. IV. C. VIII. §„ XI. „ My dunkt niet onwaarfchynlyk te zyn, dat de uitroei/ing eener ziele uit haar Volk beteekene een afzondering van de Ge~ meente, en van de H. byeenkomfien en voorrechten van Godts Volk, waar tegen gefteld wordt het koomen in de Vergadering, of Gemeente des Heeren, Deut. XXIII: r. Hier toe dient ook Exod. XII: 19. Dezelve ziele zal uitgeroeid worden uit de vergaderinge Israëls, dat is, wechgedaan worden uit het gezelfchap der Heiligen. Ezech. Xill: 9. Zy zullen in de vergaderinge myns Volks niet zyn, en in het fchrift van het huis Israëls niet gefchreeven worden. Als of Hy had gezegd: Die het Verbond breekt, dat ik met hem gemaakt hebbe, zal uitgeroeid worden uit het midden van dat Volk, dat met my in het Verbond ftaat, en zal de voorrech-

tern

Sluiten