Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o VAHEB.

het opheffen van Godts ftaf tot eene banier, op den vyand bevogten is, lag aan de Westen Zuidwestzyde van Sinaï, in het land Soupha, waar van de geleegenheid is aangeweezen. Hedendaags wordt ze de Valei Jah genoemd, buiten twyffel van den naam vau Godt j-p Jah, in Mofes Zeegezang, Exod. XVÜ: 16, gemeld, gelyk door Pococke zeer wel is aangemerkt. Daar vindt men ook een plegtig aan Godt toegewyd Gedenkteeken — en wel zo een, welki melding in deezen Zeegezang juist te pas komt. Zo dat hier het Gedenkteeken van Raphidim wordt geplaatst nevens dat van de bseken Arnon; het eerlie, om dat het de Israëliten moest doen gedenken aan 't verhooren van 't gebed, door het geeven van \vatcr uit Horebs rotze, en het liaan der Amalekiten; het laatfte, om hun te binnen te brengen het fchenken van water uit Beërs put, en de zeege op de Amoriten behaald. Kan men wel twee Gedenkteekenen begrypen, die, ten opzigte van den grond der gebeurtenisfen, nader met malkanderen overeenkoomen ? Te meer mag men denken, dat in deezen Zeegezang dat Gedenkteeken in Raphidim bedoeld zy, daar hetzelve zo overbekend en vermaard is geworden, zo wel by ongewyde ais gewyde Schryvers. Uit het veele door den geleerden Schutte bygebragt, teekene ik maar alleen aan 't geen hy meldt uit Diodorus Siculus: „ Indien ik my niet bedriege, zegt hy, fpreekt die 'er duidelyk van in zyne vry naauwkeurige Befchryvinge van de Roode Zee. Dioderus vangt aan met het uiterfte van het Noorderend der Herööpolitifche Golf, en zo voortgaande volgt hy het zelfde ftr-fnd, waar langs oudtyds de Israëli ten getrokken zyn. Hy zegt, ,, dat ':, men hier in 't vervolg, aan eene Zee„ plaats komt, van de Inwooneren, om

derzelver nuttigheid, by uitftek geëerd , ,, en den naam draagende van het Palm„ bosch, om dat daar zeer veel Palmboo„ men ftaan, die een' overvloed van vruch„ ten draagen, en tot vermaak en tot lee„ vensonderhoud dienftig." En hy voegt 'er by: „ dat, fchoon hetgantfche omlig-

gend land van rivierwater ontbloot, en „ naar 't Zuiden liggende, blootgelteld is „ aan de brandende Zonneftraalen; noch„ thans deeze zo vruchtbaare plaats in de. „ verafgeleegenfte ftreeken, overvloed van „ voediel verfchaft, en dus met reede s, van die Barbaaren geëerd wordt j ge-

VAHEB.

„ merkt 'er niet weinig fonteinen zyn, ea

„ daar uitvloeiende beekjes. " (Wie

erkent in deeze befchryvinge niet het Palmbosch van Elim met deszelfs Fonteinen?) Daar op laat hy volgen: „ Ook is 'er een ,, Altaar van vasten ft een, die oude tyden heugt, hebbende een Qpfchrift in aloude „ onbekende ietteren.'''' Mag men dit Gedenkteeken niet met allen grond houden voor dat van Mofes, Exod. XVII. (i) De Plaats is dezelfde. Dat van Mofes werd opgericht in Raphidim, welk dat op de Woeftyne Sin, die by Elim begint, aanftonds volgt, en tot by Horeb zich uitftrekt. —~ (a) Het Gedenkteeken is het zelfde : Het heet by Diodorus en by Mofes een Altaar. (3) Men mag vermoeden dat het Opfchrift het zelfde geweest zy. Diodorus fpreekt van aloude en onbekende letteren. Mofes zegt, dat het **j* niT Je' hova Nisfi geweest zy, 't geen 'er zeekerlyk in aloude Phenicifche ol Hebreeuwfche letters, by de Westerfche volken in laatere tyden onbekend, heeftopgeftaan. (4) Eindelyk, de byzondere Eerbied, welken de Inlanders, volgens Diodorus, aan deeze plaats betoonden, fchynt ons op een byzondere Godtlyke ontdekking, hier wel eer voorgevallen, als met den vinger te wyzen: Maar die ontdekking is juist, op de heerlykfte wyze, in de vallei Raphidim en aan den berg Horeb gefchied van Israëls Godt. — By dit Gedenkteeken in Soupha (Tl) meldt de Rei ook die Beeken Arnon, welke waarfchynlyk afkoomen van de Arnon , „ een fteile rots op de grenzen der „ Amorieten, tusfchen het land der Moa,, bieten en Amorieten geleegen, gelyk ,, Hieronymus en Eufebius haar befchry ven." De Heer Schutte agt het ontaoodig, ter deezer plaatfe meer van deeze Beeken te zeggen; maar gaat dus voort: ,, Het is blykbaar genoeg, dat deeze Beeken Arnon hier nevens het Gedenkteeken in Soupha ftaan, als daar mede in een zeeker derde kunnende vergeleeken worden: Beide Gedenkteekenen van groote gevallen, in die twee doorluchtige plaatfen gebeurd. Het eerfte was een Gedenkteeken, by 't geeven van water uit Horebs rots; het laatfte, by 't fchenken van water uit Beërs bron. Het eerfte, ter gedachtenisfe van 't verflaan der Amalekieten ; het laatfte ziet op de Zeege, die op de Amorieten behaald zou worden. Want dat deeze Zeegezang, gelyk ook de volgende, vs. 17-20, op den

Wes-

Sluiten