is toegevoegd aan uw favorieten.

Bybels zakelyk-woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g2 VASTEN.

Naar de prediking van Jona zou Ni- £ nive na nog flegts 40 dagen worden om- t gekeerd: In dien algemeenen ramp zouden c de Beesten ook mede hebben moeten dee- \ len; de Koning wilde, dat 'zy dan ook j mede zouden deelen in de algemeene Boet- 5 doening en Verneedering, waar door men ] dien gedreigden ramp zocht voor te koo- ] men.(tO Het is gantsch niet vreemd, 1 dat het een en ander gebooden werd ten < aanzien des Menfchen; maar zo veel te < vreemder komt het by den eerften opflag 1 voor, dat dit bevel zich ook uitftrekte tot , de Betsten, waar door men de Lastbees- 1 ten, Kameeien, Paerden en Muilezels mag 1 verftaan, als ook tot de Runderen en 1 Schaapen. Doch de Hooggeleerde Witfius zegt Exercilat. I. de Orat. §. XIV. dat het eene oude gewoonte was, dat men in eene zeer zwaare rouwe aan het Vee het voedfel onthield, en dat men de Kameeien, Paerden en foortgelyke lastdieren hunne fieraadien en kostbaare dekkleeden ontnam, en ze met zwarte en fiordige dekkleeden deed te voorfchyn koomen. Ter bèvestiginge van het eerfte wordt ten voorbedde bygebragt, hoe Virgilius ,in hetbefchryven van de groote droefheid over den dood van Daphnis, (waar door eenigen den Keizer Julius Cafar, en anderen zynen BrotderFlaccus willen verftaan hebben) zich onder anderen dusuitIaat,iSc/o^.V.vs.24.—

Non ttlli pastos illis egere diebus Frigida Daphni, boves ad flumina: nulla

neque nmnem Libavit quadrupes; nee graminis attigit

herbam.

Dat is, naar de vertaalinge van Vondel,

Geen Herders drenkten, toen, 6 Da/nis, hoog van waarde,

Uw nat bekreeten lyk bedrukt jlond boven d'aarde,

Hun zatte Stieren in den koelen waterftroom;

Geen Kudele proefde nat, noch zette uit

rouw en [chroom Den mond eens aan het gras. ——

Ten betooge van het tweede merkt de Heer Guthof over jona p. 705. aan uit Brisfonius, de Regno Perfar. p. 257, die het uit iierodotus en Plutarchus heeft aangetoond, dat de Per/en en andere Oosterfche Volken gewoon waren, hunne anders kostelyk

VASTEN»

etooide Paerden en andere Lastdieren, in yden van rouwe te fcheeren, en metflorlige dekkleeden te overdekken ; welke gei'oonte Alexander de Groote deed navoljen over den dood van Hephctstion. En ;elyk het nog heeden ten dage gebruikeyk is, by de begraving van Koningen en 3rinfen, één of meer Paerden, met rouw[leeden behangen, in den Heep mede te ïoen omvoeren, zo had het zelfde ook aultyds plaats, waar van Chryfostomuszzgt, lat, als 'er een ryk man is geftorven, niet illeen de knegten cn maagden, maar ook ie huispaerden met zakken bekleed, het lyk ot aan het graf moeten volgen. (3) Het wgmerk nu, 't welk de Koning hier by gedoelde, was (kn) zeekerlyk om de vergramde Godtheid te beweegen tot ontferming. Want het bevel heeft mede in, dat zy flerklyk tot Godt zouden roepen: De Menfchen , met eene boetvaerdige belydenis van hun wanbedryf en ftrafwaerdigheid, en voorts met gebeden, met fmeekingen, traatien en fterke roepingen, Godt wilde zich toch wenden van de hitte zynes toorns, en Stad en Volk verfchoonen. De Beesten, door een fteenend zugten, en hartbreekend fchreeuwen en loeijen, door honger en dorst daar toe geprangd. Om door een zo algemeenen jammerkreet, die uit de Palleizen van den Koning en zyne Ryksgrooten , uit de huizen en hutten der minderen, uit de ftallen en fchaapskooijen opging, en geheel Ninive, zo groot als het was van ach- en weeklagten deed weêrgalmen, Godts getergde wraak te leenigen, en de ingewanden zyner barmhartigheid als aantrommelen te helpen. (23) Op dat ook de Menfchen, door eene zo akelige vertooninge, ziende al hun Vee in rouwgewaad geftooken, en door deszelfs naar ge» loei en gegil te meer verbryzeld mogten worden, "en met een te inniger gevoel van leedweezen zich voor Godt verneederen, en tot Hem roepen mogten. Men weet, hoe groot eene aandoening de elenden van het Vee, op der Menfchen harte maaken; vooral als 'er de overweeginge by komt, dat het om zyner zonden wille is, dat het onfchuldig Vee dus lydt en zugt. Wie weet, hoe menig eenen, die voor het roepen van Godts Knegten doof en ongevoelig was, het harte brak en de traanen uit de oogen rolden, wanneer hy, geduurende de zo laug gewoed hebbende eu nog woedende Veepest, op zyn ftal of in zyne

wei-