Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V E R L O K T.

wvrdt, zegge: lk worde van Godt ver■zocht. Zou de Apostel deeze waarfcliouwing in de daar op gevolgde wederlegging wel gedaan hebben, indien 'er in dien tyd ■geen menfehen geweest waren, die alzo gevoelden en fpraken? lk meene, dat wy dat vooronderfteüen mogen. Maar wie waren deeze menfehen? («) Moshtim Zeedeleer D. IV*. p. 435. en voorwaards p.

4^2 denkt om een foort van fpits-

vöndige Wysgeerrn , die alle aandoeningen en beweegingen, waar voor wy vatbaar zyn, alle fmert zo wel, als alle wellust, onmiddelyk van Godt afleidden, en de dingen deezer Waereld alle kragt ontzeiden, van onze zinnen en verbeelding aan te doen. Zy reedeneerden 'er dus over : Ik verzadige my met een zeekere fpys, die ik bemin, en myn Ziel wordt by het genieten van dezelve verquikt. Waar van daan dit innerlyk vermaak? VandeSpyze? Dit is de verbeelding van den gemeenen man, die fchyn en waarheid onderling vermengt. De Wysgeer weet, dat alle aardfche en ligchaamlyke dingen geene magt over een geestelyk Weezen hebben, en derhalven ook der menfehen Ziel noch verheugen , noch bedroeven kunnen. Godt is de waare Oorzaak van myn genoegen, die, terwyl ik eete, mynen geest met eene aangenaame en verquiklyke aandoeninge vervult. Elk begrypt ligtelyk, dat men deeze Leer konne uitftrekken tot allerlei zondige lusten en vermaaken, en daarom eene hoogstgevaarlyke en Godtontëerende leere is. Q3) De vermaarde Vitringa Ob-

ferv. S. L. HL C. 9. p. m. 617

heeft uit de Schriften der Jooden aangeweezen, dat eenigen hunner Meesters leerden, dat de quaade begeerlykheid zo wel, als de goede den menfehen van Godt zy ingefchaapen: Doch dat de quaade in den beginne fiaauw en zwak was, maar dat ze door de Zonde van Adam en Eva merklyk meerdere kragten hebbe gekreegen. Indien nu deeze Leere onder hen reeds bekend zy geweest ten tyde van Jakobus, zo zoude ik liever denken, dat de Apostel die bedoeld en wederlegd hebbe, om dat zyn Brief eigenlyk gericht was aan de zulken, die uit d-; Jooden waren , en welken ligtelyk nog iets van dien zuurdeeg zou hebben kunnen aankleeven, want, blykens het ifte vs. fchreef hy aan de twaalf Stammen, die in de verftrooijinge waren. Die moesten aan zulke leerftellingen het oor niet

V E R L O K T. $33

leenen, wilden zy zich door valfche overleggingen niet bedriegen, om zich-zeiven te verfchoonen, en aan Godt de fchuld te wyten, wonneer zy door eene of andere misdaad overvallen wierden. Zo onmooglyk het is, dat Godt uit zich - zeiven zou kunnen verzocht worden ten quaade, om dat Hy volmaakt en onveranderlyk heilig is; even omnooglyk is het, dat Hy zelf snderen zou kunnen verzoeken ten quaade. 'Godt zelve verzoekt niemand. Dit is de Helling des Apostels, vs. 13. Evenwel 'er zyn verzoekingen. Dit ondervindt elk: Èen iegelyk, wie hy ook zy, wordt verzocht. Van waar koomen die dan ? (33) Hier moet de mensch, inctten hy naar waarheid antwoorden wil, zeggen:' Het verderf is uit my. Dan, zegt de Apostel, wordt hy verzocht, als hy door zyn eigene begeerlykheid wordt afgetrokken en verlokt. («) Wat is hier zyne eige begeerlykheidf De mensch heeft eene.begeerte, om zichzelven genoegen te verfchaffen. Maar door de Zonde geheel en al ontaart en verdorven geworden zynde, zoekt hy dat genoegen niet in de gemeenfchap van Godt, maar buiten Godt: in de dingen, die deezer Waereld zyn, en die dienen tot Verzadiging van het vleesch. En dit maakt, dat zyne begeerten zich daar toe uitftrekken, dat hy eerzugtig is, geldgierig, geneigd tot overdaad, wellust, &c. Om dat hy dwaalt en onwys is in het bepaalen van het Voorwerp van zyn genoegen , is hy dienstbaar aan menigerlei wellusten en begeerlykheeden, Tit. 111: 3. Vleefchelyke begeerlykheeden, die Kryg voeren tegen de Ziele, 1 Petr. II: rx. Én van die quaade begeerlykheid, die zelfs in de Wedergeboorenen zich nog dagelyks roert, en nu en dan ook de overhand krygt, wordt hier gefprooken. (/6/3) De Apostel noemt ze '« menfehen eige begeerlykheid. Om dat ze niet is eene hem van Godt ingefchapene begeerlykheid , gelyk eenige Joodfche Meesters dreeven: Maar zyne eigene; eene vrucht van zyne aangeboorene verdorvenheid, in welke hy ontvangen en gebnoren is. Ze behoort tot dien Ouden mensch, welken hy afleggen moet, die verdorven wordt door de begeerlykheeden der vcrleidinge, Ephef. IV; ai- Door deeze zyne eigene begeerlykheid (/8) wordt de Mensch af getrokken en verlokt; en als dat gefchiedt, wordt hy verzocht. De begeerlykheid roert zich en gaat uit tot grootsheid, tot geld Vvv a en

Sluiten