Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gag VERLOST.

immers, al waren die Stammen fchuldig

feweest, Godts toorn niet te vreezen heb en gehad,vermits zy in deezen in alles gedaan h adden n aar 't geen e de H E ERE bevo • len had te doen, wanneer men hoorde, dat delnwoonders van eenige Stad zich hadden laaten vervoeren, om andere Goden te dienen, Deut. Xilh 12-17. (3) Daarom neemen anderen het zeggen van Pinehas dus op: „ Welk eene groote Zonde zou„ den wy gedaan, wat al unfchuldig bloed „ zouden wy vergooten, welk eene ge„ duchte ftraffe zouden wy ons van Godt op den hals gelaaden hebben, indien „ wy, op het hooren van het eerste ge„ rugt, terllond in onze drift, en zonder „ nader onderzoek, tegen u opgetoogen „ waren, en u geflaagen hadden met de ,, fcherpte des zwaerds: Of zo gy onze „ Gezanten trotfelyk had te rugge gezon,, den, zonder ons opening van zaaken te .„ willen geeven. Maar, geloofd zy de „ HEERE, dat zy zo voorzigtig zyn ge „ weest, en dat wy zo een vriendelyk „ en voldüenend antwoord van u hebben „ mogen ontvangen. Hier door zyn wy „ bewaard gebleeyen van het doen van „ eene zo groote Zonde'; hier door hebt „ gy de Kmacreti'lsraëls verlost van de hand „ des HEEREN.''' Men meent, dat deeze op vatting 't best ftrooke met 't geene vs. 33. gezegd wordt. De Kinderen hraêls, nadat zy het antwoord van hunne Gezanten gehoord hadden, loofden Godt, en zeiden niet meer van tegen hem op te trekken met een Heir, om het Land te verwoesten, waar in cle Kinderen Rubens en Gads woonden.

VERLOS my van bloedfchulden, óGodt, gy Godt myns heils! Zo zal myne tong uwe gerechtigheid vrolyk roemen, Pf. LI: 16. Boetvaardige David bidt, en hy dringt zyne bode aan met een foort van gelofte. (X) Hy bidc. (NN) Hy verheft zyn hart tot Gode, wien de eere der aanbiddinge alleen toekomt, die ook alleen magtig was, dat geene te doen, 't welk hy begeerde. Hy fpreekt Hem niet alleen met eerbied, en als een ootmoedig Smeekeling aan-' O Godt; maar ook als een Godt, wiens goedheid en gunst hy reeds meermaals ondervonden had: GyGodt myns heils. Godt had zyne ziele lieflyk omhelst, die meermaals, door de invloeden zyner genade 1 vervuld met vreugde, meer dan ten tyde, dat der Godtloozen Koorn en Most vermenigvuldigd zyn. Godt had hem tot

VERLOS

heil geweest naar het Ligchaam: Uit menig doodsgevaar gered, en hem, in weêr wil van al het woelen en woeden zyner Vyanden , tot Kroon en Throon verheeven. Dit alles kende David gaerne toe aan Godt, en noemde Hem daarom meermaals den hoorn en rotzjleen zyns heils, 1 Sam. XXI!: 3 , 47. Zyn licht en heil, Pf. XX VIII: 1, en, gelyk als hier, den Godt zyns heils, Pf. XVIII: 47 XXV; 5: &c. Te I ie vet gebruikte hy hier deeze aanfpraak, om dat de erinnering van zo veel genooten heil zyn verbryzeld hart en beroerd geweeten verlevendigde en hem zeekere vrymoedigheid en vertrouwen inboezemde, van ook nu wederom heil by Godt te zulle vinden. Het heil, waarom het hem thans voornaamelyk te doen was, (33) w,as, dat Hj hem verloste van bloedjchulden. («) Zyn wensch en bede was dan, dat hy mogt ontheeven worden "van een quaad, dat hem zeer bezwaarde. («*) Dat beltond in bloedfchulden. (A) Elke zonde maakt ons ftraffchuldig voor Godt. Maar Bloedfchulden, fchynen voornaamelyk zulke ondaaden te zyn, waar in eene eigenlyk gezegde bloedftortinge heeft plaats gehad, of zulke, die by den Waereldlyken Richter iemand der bloed- en dood - ftraffe fchuldig maaken, waar onder men dan wel voornaamelyk Deodjlag en O:w//>t/tellen mag, Hof. IV: 'i. (fJ) Deeze twee Ondaaden bedoelt David. Het Overfpel, 't welk hy gepleegd had met Bathfeba, en hoe hy haaren Man Uria had doen dooden door het zwaerd der Jmmoniten. Uit het 2. vs. blykt, dat David deezen Pfalm hebbe opgefteld ten betooge van zyne boetvaerdigheid, na dat Propheet Nathan hem het grouwelyke van zvn wanbedryf in deezen voor oogen gefield , en Godts oordeel aangekondigd hadde. En fchoon hy, als Koning, boven het bereik was van de ftraffen van den Waereldlyken Richter, hy was evenw! in zyn gemoed overtuigd, dat hy die ftnfFen wel verdiend hadde, en daarom wil hy zyne misdaaden niet verbloemen , noch verkleineir, maar hy noemt ze, gelyk ze waren, Bloedfchulden. Te minder wilde hy dat doen, om dat hy fprak tot den Alweetenden Godt, voor wien men zyne overtreedinge niet bedekken moet, zal men barmhartigheid verkrygen; en hy ook uit de ftrafbedreiginge van Nathan wist, dat Godt die met bloed wilde ftraffen: Nu dan, het zwaerd zal van uwen huize niet wyken ——

daar •

Sluiten