is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtlauren voor Neêrlandsch helden [...] ter erkentenisse van hunnen moed [...] bij den aanval der Franschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C )

Dan wie is hij? op wiens gelaat?,

Met zulke grootfche en eedle trekken* Der Vadren trouw getekend ftaat,

Wil n, ó Dierbre! aan mij ontdekken; Zo roer' ik ook voor u de fnaar, Zijt gij 't doorluchte boetzelaar?

Die ik vol roem zie zegepraalen; Ja waarde! 'k zie u reeds omringd, Door 't volk, dat uwe grootheid zingt,

In 't juigehend Vaderland onthaalen.

Uw" weê'rgaloozen mannenmoed1, Moest elk in willems ftad bewondren*

De wreevle vijand moog' verwoed, Uit zijn Mortieren fchriklijk dondren;

Schoon zijn gefchut de ftad doorboort;1

Gij ftaat onwrikbaar., ongeftoord, Omringd van vuur, van bloed en rijken

Voor Vaderland en Vrijheid pal,

En ziet, van den beftormden wal, Den trotfchen vijand, eindlijk wijken.

Hem wijken? neen hij valt weêr aan! Door helfche wraakzucht aangedreeven:

Wie kan dit vuur, dien ftorm weêrftaan;' Mijn God! zal nu de braafheid fneeven? -

Dan neen, dit duldt uw goedheid niet;

Gij flerkt den.held, de vijand vliedt; Uw lof zweeft op der Burgren tongen,

Terwijl de trouw van boetzelaar,

En zijn doorluchte heldenfchaar, Den zegezang werdt toegezongen,

Ja,