Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Gen. I: 26, 27.

%7

herfchapen , uitgeroeid, het geen zij uitroejen, voortgebracht, hetgeen zij voortbrengen wilden. Hoe zichtbaar ligt in hun de fcheppingsgave van den Schepper; 5, God fchiep den mensch naar zijn' 3, beeld ! "

En deze ziel vooreerst, die in het voorledene en in het toekomende leeft; wien geen vriend te ver is, aan wien zij niet denken; niets te groot, en niets te geestlijk is, is, dat zij zich niet tot haar bevatting nederbrengen , verkleinen , verlichaamlijken zou kunnen dit denkende , zich herinnerende, dit vergelijkende, fchikkende, en fcheppende alomtegenwoordig, alomvattend wezen met die duizenderlei krachten en neigingen, ondoorgrondlijk, gelijk Gods

wezen ondoorgrondlijk is deze ziel,

die (leeds meer wil, dan zij doen, meer denkt , dan zij willen , naar meer denkbeelden flreeft , dan zij denkbeelden op aarde hebben kan ; die bij de grootfle menfchen in hunne beste uuren , als zij zich hoog hoven andere verheffen , haare banden

zoo diep, zoo fmertlijk voelt. O! hoe

kan het raadzel der menschheid anders opgelost worden , dan , met de woorden:

,, God

Sluiten