Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' en dordsche cementpoeders. 21

dunt was, dat 'er geen gevitriolifeerden wijnfteen konde gekristallifeerd worden. 'Er werdt eene ge» ring* hoeveelheid poederachtige ftoffe uitgefcheiden, en naar den bodem van het glas nedergeploft, terwijl zich het loogzout met het vitrioolzuur, onder opbruifching, verbond. De op den bodem nedergeplofte ftoffe was een wit poeder, dat mede, na afwasfching en drooging, geen' den minften zout, — maar kalk ach tigen fmaak hadt; weegende 4 greinen. Naauwelijks behoef ik te erïnneren, dat de overige vloeiftoffe, na verëischte uitwazeming, niets dan alcaii vegetabile vitriolatum in kristallen leverde.

§. a8.

De voorgemelde \i greinen weegende kristalletjes (§. 25.) bcftonden uit bloote Gyps of Seleniet (cö/x vitriolata*). 'Er was derhalven uit het Cementpoeder, door de kookende hette, een gedeelte Kalkaarde in het water opgelost, welke zich nu met een deel des bijgevoegden vitrioolzuurs tot Gyps of Seleniet hadt verbonden.

§. 29.

De volkomen fmaakeloosheid was niet alleen een bewijs dat deeze ftoffe (§.28.) Gyps was, maar toen ik de ftoffe in de gloeihette bragt, verviel zij, met verlies van het kristalvogt, tot een zeer wit poeder, dat in water onoplosbaar was.

B 3 $. 30.

Sluiten