Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEDUCTIE

aan de Edele Mogende Heeren GEDEPUTEERDE STAATEN van FRIESLAND , overgegeeven uit den naam en van wegens S Y D S SCHAAF F, Raad in de Vroedfchap der Stede Harlingen, Deducent ter eene;

Op ende tegen

EDUARD MARIUS van BEYMA, mede Raad in de Vroedfchap van gemelde Stad , Deduceerde ter andere zijde,

EDELE MOGENDE HEEREN!

J3'j Stemminge van Volmagten ten Landsdage, wegens de Stad Harlingen, is 'er, ten aanzien van 't Folmagtfchap uit de Vroedfchap, verfchil over de Pluraliteit ontftaan, tusfchen den Deducent ter eene, en de Deduceerde ter andere zijde, 't welk door U Ed. Mog. zal moeten worden gedecideerd , en waaromtrent de Deducent de vrijheid neemt, zijne belangen met allen eerbied aan U Ed. Mog. voor te draagen.

AGTIEN Leden hebben geitemd den Deducent, en maar ZESTIEN hebben geftemd de Deduceerde. Voor wien is nu de Meerderheid?

De Deducent verwagt, dat elk zich over deeze Vraag zal verwonderen; en niemand eene wiskonftige waarheid in twijffel zal willen trekken.

De Deduceerde doet zulks ook niet; maar verbeeldt zich de Meerderheid te hebben , omdat de Zestien, die hem geftemd hebben, eenpaarig geweest zijn , in 't ftem-

A men

Sluiten