Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. 13

'k Zie 't aeklig rijk des doods , den fombren kerkhof groenen ;

Het Lentefeest wordt zelfs in 't flaapend ftof gevierd; 't Is of hier 't leven met den dood zig wil verzoenen, Daar 't jong gebloemt hem fiert.

Hoe wordt mijn hart doorgriefd ; ja, 'k zie uw traanen vloeien

Bedroefde Moeder! die uw' zuigeling befchreit, Elk madeliefjen, dat ge, op 't heuvcltjen, ziet bloeien, Schetst zijn onnoozelheid.

Daar knielt zij Slikkend; rouw fchijnt haar het hart tebreeken;

't Ontfnoerde hair golft langs den bangen boezem neer; Smart kon 't aanminnig blos op 't zagt gelaat verbleeken; Zij kent geen blijdfehap meêr.

„ Mijn wichtjen, zugt ze, hier hier onder 't hartgedraagen,

„ Met fmart gebaard ! verrukt in dezen arm gekuscht; „ Mijn kind ! 'k ziè, naa een reeks van fchuldelooze dagen , ,, Uw levenslicht gebluscht.

Sluiten