Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TONEELSPEL.

éi

Lucas, haar gewaar wordende. Lieve Margje!

Mar g je.

Och, wat fcheelt u? gij zijt zoo diep in droevige gedagten, dat ge me haast aan 't huilen maakt; — wat fcheelt u?

Lucas, ah driftig bij zich zeiven komende.

Niets, niets, wijfje-lief! niets. — God dank, dat wij nog zoo rijk zijn, hoe klein onze rijkdom ook is!

Margje. Wat meent ge toch?

Lucas.

Dat we rijk genoeg zijn, moedertje! om zu!-s ken, die van gebrek vergaan, van ons gering beftaan medetedeelen, en te redden.

Mar gje.

; Och lieve Lucas! dat kunnen wij niet te gaauw doen; — wie zijn die arme bloeden toch?

Lucas, aangedaan. Onze arme fukkel , onze goede buurvrouw Petertje! — 'er is geen kruimeltje brood in huis. {hij fchreii)

Margje, aangedaan. Och goede God!, lieve Lucas! toe loop toch fpoedig naar haar toe,, en breng haar een va»•* Ë 3 onze

Sluiten