Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERKLAARING VAN PLAAT VI

De Prins zit op denThroon met hetkusfen op zyn hoofd, en de Wolbaai Falftaf, itelt den Jongen Kroonprins voor, Zy beginnen het gefprek.

De Prins: Nu Harrey , waar komt gy van «tean? Faljt. Myn Heer Vader, van Castcheap. Pr. ik hoor veel klagten over U F. Sakkerloot, gcnadigfte Heer! dit zynalte.rnaal leugens. Pr. Ikzweer't, jygodloofe Boef hebt U met geweld van het pad der deugd laat afrukken, TJ volgt de levendige Duivel in de gedaante van een oude dikke Kaerel, met regt een Oxhoofd van een Kaelel die vol^t U overal. Waar loopt gy met dit Vuilnisvat, met dien Baktrog der Beestialiteit met die Waterzucht, met die Aiakkeetel, datgebradene Pinkiterbrokje met een opgevuld Lyf- F. Ik we. ïchtedatuwe Jnsjelteit my zulks wat duidelyker zeide5 wat meent uw majefteit? Pr. derockeloofen, fchandelyke verleider der Jeugd, Faljt af die oude grysbaardige Satan. F. Mylord die Man ken ik Fr. dat weet ik wel. F. maar als ik zeggen zoude'er waar meer kwaads in my als in hem, dan moest ik meer zegge als ik weet. Dat hy oud isdit wyzenzyn witte haaren uit. Neengenadige Heer, jaagt Veto, Bardolf, Peins weg, maar den benam' ykegeestigen, de dappere Bant FaIJtaf jaagt die nictmth^tPiinfeGezeUciwp.

Sluiten