Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'204- REIZE NAAIt

Volgens in de floep, als welke ligter was, gegaan zynde, trok ik met zes mannen dit Schip te hulp; maar ik wierd zeer aangenaam verrast, toen ik by myne komst vernam, dat het flechts een valsch alarm geweest was ; en wy keerden den zelfden avond naar onzen post te rug. Geduurende mynen tocht was ik zeer verwonderd my te hooren begroeten door eene menfchelyke ftem, welke my, om Gods wil, bad aan land te komen. Ik deed dit, vergezeld van twee foldaaten , en ik wierd aangefproken door eene oude Negerin , die my fineekte, om haar eenige hulp te verfchaffen. Het fcheen my toe, dat zy aan een Jood, die eigenaar was van den grond, waar op ik haar vond, toebehoorde. Dit arm elendig fchepzel leefde aldaar eenzaam in eene kleine hut, en omringd door eene woeste wildernis, alwaar zy tot haar voedzel niets had dan eenige bananen, ignames en casfave. Zy was niet meer in ftaat om op de voornaame Plan. tagie van haaren meester te arbeiden, en deeze had haar dus naar deeze plaats verbannen, om aldaar een blyk te behouden van zynen eigendom, welken de muitelingen vernielt hadden. Aan deeze ongelukkige een ftuk gezouten vleesch, een weinig garst, en een fles rhum agterlaatende, bood zy my tot een tegen - gefchenk één van haare katten aan, maar ik wilde dit niet aanneemen; en, volgens

haar.

Sluiten