Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VATEN w de PLANTEN. 191

§. X I X.

Indien men nu vervolgens , de hier bygevoegde vergrpotte Afbeelding, Fig. 6 nauwkeurig gaade flaat , dan ziet men , m de eerfte plaats , hoe aanzienlyk het getal der Bundelen zv, dat zig in dit Voorwerp aanbied, en egter geen doorfneede is van de juiste helft des Stengs. Ten andere ontdekt men , uit de naauwkeurige omtrekken deszelven, hoe duidelyk zig elk der-, zeiven van den anderen laat onderfcheiden, na dat het geheele celachtig weezen , dat 't overige van den Steng anders vervuld, daar uit verdroogd is. En eindelyk ziet men nu, hoe aanmerklyk het getal der Vaaten is, die ieder van zodanigen Bundel helpen famenftellen, welken , wanneer men ze naar de lengte befchouwd, elk in het byzonder de fchroefwyze omüingermgeri hunner draaden allerkeurigst vertoonen , en mee minder fchoon als die in de voorgaande ttg. 6. zyn aangetoond ; doch het beftek zou te groot geweest zyn tot de af beelding van die allen.

§. X X.

Tot meerder opheldering zal ik hier nog by-

voegen de overeenftemming , die men volgens

Malphigius vind, tusfchen deeze Vaten en de

Lugtvaten der Oekvuvene Pieren , Cwant nct ü zyn

Sluiten