Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 OVER KUNSTEN '

ken wel gewag van hunne gezangen tot lof der dapperheid , en ene verzameling van hunne vernuftige andwoorden wordt rog tot den huidigen dag bewaard ; deze verraden wel de talenten van een werkzaam volk, maar niets minder dan kennisfe in wetenfchappen, of goeden fmaak. Zi] waren met dat geen begaafd, wat tot deugd en dus" tot gelukzaligheid nodig is ; zij hadden een behoorlijk denkbeeld van hunne waarde; maarzij bekommerden zich weinig over die talloze onderwerpen, uit welke de overige menfchen gemeenlijk eerst kiezen, wat zij met hunne achting vereren willen. In hunne denkwiize vast en bepaald , befchouwden zij de gewone dwaas'heden met fpottende ogen. Een Spartaan vroeg aan een' man, die reeds oud was, en zich nog nimmer met onderzoekingen over het wezen der deugd hadt bezig gehouden; „ wan„ neer wilt gij een aanvang maken,' met haar uit te oe„ fenen? "

Terwijl dit volk zijne gantfche oplettendheid nog maar op één onderwerp bepaalde , namelijk hoe zij hunnen moed , en hunne onverfchilligheid voor alle andere aandoeningen bewaren zouden, hielden de Athenienfers zich bezig , met de befchaving van iedere kunst, en de verfij. ning van iedere aandoening. Door de beloningen, waar mede zij alle werkzaamheden en uitvindingen, die tot hun genoegen of onderwijs medewerkten, gewoon waren aan

te

te gedrongenheid van hunne gezegdens, die tot een fpreekwoord geworden is, verdient in de daad onze bewondering, platö zegt op de aangehaalde plaats met regt: „ Dat hunne voortref„ lijkheid meer belfond in de oefening der wijsheid dan in lig„ haamsoefeningen , begrijpen zommigen onzer tijdgenoten zeer „ wel, en reeds oudstijds is dit door velen begrepen, die in „ aanmerking namen, dat zulke korte en zinrijke gezegdens on„ mogelijk konden worden uitgefproken , dan door menfchen,

die volkomen geleerd zijn." Maar koks en parfumeurs

begrepen zij te regt, dat zij niet nodig hadden; en de magïftraat bande enen Syracufaanfchen kok, die te Sparta gekomen ■was, om aldaar zijne kunst te oefenen, zeggende; ,, dat arbeid „ alleen de fans moest zijn van de fpijze, die de Laceda;mo • „ niërs gebruikten; dat zij alleen maar het nodige en geen kon. „ ftig voedzel behoevden ; en dat hunne lighamen zoo min lek-

„ kernijen nodig hadden, als die der leeuwen." Vid.

m'ximus tyrius, Dif XXIII, T. I, p. 437.439, ed. keiskii.— En toen was Laceda:mon grootl

Sluiten