Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

233

de tijd,

AlWéêr een dag voorbij!

Staar hem nu juichend na: God was met u en mij,

Sioeg onze wegen gaê! Hij maakte onze paden effen ! Lnat ons z:jue gunst bezeffen! ANveêr een dag voorbij!

Mijn klaasje! ons einde fpoedt; Hoe ftaat uw ziel 'er bij,

Staart zij op 't hoogfte goed ? —Dan, dan zult gij eeuwig leeven, Als de dagen u begeeven. .

Het Proza van deze Brieven, welke de Tijd tot opfchrfft hebben, is niet min, dan dit rijmpjen , een mengelmoes en Khapzodie van invallende gedachten, die niet bekookt.en kwalijk faamgevoegd zijn , en niet weinige mijfliki uitdrukkingen bevatten, zoo fpreekt de Schrijver van,, een wegzinken in hei eeuwig niets van ons ingebeelde iets" Bladz.' 8. en Bladz. 152. lezen wij, bij gelegenheid, dat melidor een godzalig hu s-

gezin ontmoet, het volgende: „ Ik benijdde (dit wil

ik gaarn bekennen) het overheerlijk lot van die godzalige menfchen, niet dat ik mijns naastens heil op dat oogenblik begeerde, maar ik zoude wel alles hebben willen geven om met hun gelijk te zijn: lk fprak na lange met een verheugd gelaat deze menfchen aangezien te hebben, eindelijk tot hun: wel goede menfchen zijt gijlieden al lange op dien weg geweest? deugdlief, dit was de naam van'den man, antwoorde hier op: indien ik dit wel nadenke, zoo ik mij hier in niet bedriege, reeds v;jftig jaaren, en dat wel in eene

bijzondere leiding. Hier vond ik bevestigd, dat de

Heere werkt in den Tijd, omtrent het kraehtdaadig bekeeren van zondaaren: en wanneer ik het geval van dien zoon overweeg, hoe hij door den Vader was ingelaaten, toen hij maar fchuld bekende, en gelooven wilde, dat hij een Vader had , die zijn heil bedoelde, zoo herinnerde ik mij eene treffende gelijkenisfe, die ik in mijn jonge jaaren meermaalen had hooren verhaalen: dat de Heere alzoo ook met een aanhoudend en Godzoekend zondaar te werk gaat, wanneer hij hem, door zijnen geest, laat vraagen, waarom hij zoo vuurig wenscht binnen gelaten te Wórden: en welk een hoop en verwachting hij heeft, dat zulks eenmaal, al was het in de laatfte uuren, zal gefchieden ? dan is het antwoord van den wederfpannigen zoon: omdat ik weet, dat ik een vader 'er binnen heb, en dat gij, ó vader! 'er een zoon buiten hebt, die gii toch, van wegens uwe tedere liefde, eens zult binnen laten Gewislijk, zoo werkt de Heere in den tijd der overreding, dan is het zijn tijd, en mogten Wij

peer

Sluiten