Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F. VAN BORSELEN EN J. VAN BEIJEREN. 517

weinig hebben wij hier het dolle, als het laffe kinderachtige fentimentele aangetroffen ; en wij kunnen niet anders denken, dan dat dit werk zeer veel goedkeuring vinden zal, bij allen, die in dit lbort van werken behagen vinden.

Of de heer loosjes, in de bijverdichtfelen, alorame de waarfchijnlijkheid behoorlijk heeft in acht genomen ?

. _ op deze vraag zouden wij antwoorden, dat ons

de meeste van dezelve zeer natuurlijk en voegzaam bij de hoofdzaak voorkomen. Evenwel hebben wij getwijfeld, of hij zich niet wel eens van het waarfchijnelijke een weinig verwijderd hebbe. Bij voorbeeld in de historie van jakobaas onderneming, om heer fkank, uit de gevangenis te Rupelmonde, te verlosfen en in de uitkomst van dezelve. Doch daar wij dikvijls, vooral in gevallen, die zoo buitengewoon zijn, zaaken Zien gebeuren, die elk onwaarfchijnli.k zouden zijn Voorgekomen, willen wij op deze aanmerking niet blijven ftaan.

Uit een werk van deze foort kan men niet wel een ftuk tot eene proeve opgeven, of het vordert meer plaats, dan wij aan het zelve kunnen inruimen. Uit de fraaie dichtftukjens, die de heer loosjes in het zelve geplaatst heeft, kiezen wij het volgende.

de gravin en 't roosje. de gravin.

Lief roosje, zijt gij afgeplukt,

Door teere maagdevingren ? 't roosje. ö Neen, door (Vormen afgerukt,

Die eik en popel (lingren.

de gravin.

Een fiere maagdenboezem gaf U licht uw luister weder ?

't roosje.

6 Neen. 'k Viel in dit fteeklig graf Van fcherpe distels neder.

de gravin.

Straks zult gij ligt een herdershoed Sieraad en naam verleenen.

Kk 3 T

Sluiten