Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S3S LIEFDE TOT ROEM.

pracht en van ellende geplaatst bevindt, en de grootite armoede uit den grootften rijkdom ziet voordkomen Dit werkzame, door zijne behoeftigheden verachteljk geworden volk, kan van eene edeler behoefte geen denkbeeld hebben. Ook vindt gij weinig van de begeerte naar roem bij een volk, dat zich aan dat gene. dat mén bevalligheid in de famenleving noemt, overgeeft. H'er doet de mtening van kleine neigingen nadeel aan de driften. Het valt al te gemakkelijk, eene oogenblikbjke eer te behalen, dan dat men eene moeilijker, die beltendig is, beiagen zoude, wanneer men voor het overge de menfehen zoo zeer van nabij beziet, fielt men te minder belang in hunne hoogachting.

WAAROM BEMERKT MEN, IN DE REDEN VOERINGEN VAN ONBESCHAAFDE VOLKEN , GEENEN KWADEN SMAAK.

jyjen kon vragen waarom de woeste volkeren in die foo-t van welfprekend^eid , die men fomtijds onder hen opmerkt nimmer eenen bedorven fmaak verraden daar zulks, onder de meestbefebaafden , zeer gemeen is' Dit komt buiten twijfel alleen d ar van daan, dat de eerden alleen de onftuim'ge beweging van hunne ziele volgen, zonder dat z;ch bij hun iet onwezentlijks, iet dat alleen op aflpraken gegrond is met de natir r vermengr. De bedorven fmaak kan niet 1'gteli k ergens elders plaats vinden, dan bij een volk, dat zich in eene groote Maatfchappij vcreenigd heeft, wiens natuurlijke zielshoedanigheden, door dartelheid, ondeugd, overdreven ijdelheid en door eene • e'borgene begeerte bedorven zi n, om b;j elk voorwerp, of b'j elk denkbeeld iet bij te voegen , om den natuurlijken indruk, die het voorwerp maken moet. te vermeerderen. 1 e gedachten van den wilden zijn vol eeiwouwigheid . gelijk zijne zeden, en zijne uitdrukking is eenvouwig en zuiver, gcli k zijne gedachte ; daar vermengt zich niets vreemds met dezelve maar een volk, dat reeds bedorven is door de öndeigden, die aan de M'intfchnppj noodzakelijk eigen zijn dat in zone cnfHge roging, om zich te onderrechten cn het juk der hsrbaarschheid af re fchudden , nog geen tijd gehad heeft, om dien trap van verfijning re bereken, dien men fmaak noemt; of een volk dat door eene, niet minder noodzakelijke neiging , na dat he' den fmaak gevonden heeft zich weder van denzelven verwijdert, wil niet fk-chts zijne gedachten

en

Sluiten