is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsche bibliotheek van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KUNSTLIEFDE SPAART GEEN VLIJT. 87

niet eerst aan het 13 Deel van hunne vorige verzameling dezelfde dikte, als aan de vorige 12 deelen gegeven hebben , en het alleen onder de niet onmogelijke dingen plaatfen, dat zij dit in 't vervolg nog doen zullen.

Aan het hoofd van dit ftukjen ftaat een gedicht, van D. a. r. (regcleth) Gods goedheid verheerlijkt inden weg der yerlosfing , en daar voor een voorzang, die een aanfpraak aan de vergaderde leden van het genootfchap in zich behelst, dezen voorzang vinden wij een zeer gebrekkig ftukjen, dat de dichter veel beter thuis gehouden had , nog zoo veel te meer , omdat de inhoud van 't zelve voor het publiek van geen belang ter wereld is. Zeer vee! uitdrukkingen zijn

hier zeer onnaauwkeurig. b. v. dat de Kunstliefde in het mild uitftrooien van 't eereloof door hoog gezag gejlerkt is. Moet elk, die dit leest niet denken , dat de Haagfche kunstrechters, op last van hunnen fouve-

rein, hunne milde giften uitdeelen ? Hij noemt den

overledenen Ontfanger van striJen, in kwaad Nederduitsch, de kracht van de Unieband. Zou de Heer van strijen niet gebloosd hebben, over eenen tijtel, die mogelijk aan geen ambt past, dan alleen aan dat van den Erfftadhouder ? Hoe laf, hoe kinderachtig is de taal, waar mede hij zijne medeleden troost, over het veilies van dien Meceen, wanneer hij zegt: gij hebt van strijen weer, t. w. het pourtret van van strijen , dat naast dedel, steijn en hoog hangt! En wat zeggen deze regels.

Geen nood! 'sLands Palinuur blijft, met den Ridder, waken. Voor de eer van 't heilig koor.

Wat is toch dat heilig koor, waar voor 's Lands Palinuur en de Ridder waaken. De kerk? zouden wij dat niet denken? Maar 't zal wel het Haagfche kunstgenootfchap wezen. Waarin beftaat toch de heiligheid van dit koor? Wij zouden nog Merker aanmerkingen op dit zonderling ltukjen maken kunnen , maar wij fcheiden 'er af.

Het gedicht, Gods goedheid verheerlijkt, in den weg van verlosfing is, in den fmaak van den dichter, veel beter bearbeid. Het heeft hier en daar fraaie gedachten. Maar zo de ware fchoonheid beftaat in natuur-: hjke eenvouwigheid^ en zo het ware verhevenheid is, F 4 met