Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WERKEN VAN HET GENOOTSCH. STUDIUM, ENZ. 237

toch het onderfcheid, tusfchen ledige en nuttelooze epithetes, en zulken die hunne reden verfterken of verklaren en aldus verlieten , altijd wel onder het oog houden. , , ,

No"- voegt hij, in den 3aen regel dapperheid cn heldendeugd bij een: twee uitdrukkingen, die volmaakt het zelve betekenen. Dergelijke Sijnonime uitdrukkingen worden zeer veel bij onze dichters gevonden, doch ze kunnen nergens toe dienen, dan om den regel te vu len, of fomtijds ook om een rijmwoord aan de hand te geven, maar ze maken altijd gerekte krachteloze verzen.

Ondertusfchen dienen deze aanmerkingen, niet om het goede, dat er in dezen bundel, zelfs in de twee verzen is, die dezelve onmiddelijk raken, te verdonkeren. Zeer veel behagen hebben wij gevonden , in een gedicht aan Jefus door t. kaas , dat in juistheid van gedachten, en in edelheid van uitdrukking uitmunt , en volkomen beantwoordt aan de verwachting, die ons andere dichtftukken van die hand reeds hadden ingeboezemd — ook vervat deze verzameling twee ftukjes'van j, h. van der palm, die zeer fraai zijn. Jammer dat bet ftuk , de mensch alleen gelukkig door den Godsdienst, een fragment is. Zoo noemen wij het, om dat alle de voorname bronnen van geluk, die in den Godsdienst plaats hebben, niet worden opgegeven.

Met veel aandoening hebben wij gelezen den lofzang van den blindgeboornen bij de wateren van Siloa door petronella moens. Niemand is er, die dit onderwerp beter past, dan deze dichteresle. Maar hoe veel beter zou het nog wezen, wanneer zij zelve, over haar eieen geval eens zulk eenen lofzang kon aanheffen. Wij hebben onder het lezen vurig gewenscht, dat, ook voor haar, zulk een blijde dag nog eens komen mogr. Doch indien zij daar toe geene hope heeft, dan trooste zij zich, onder anderen ook daar mede, dat de goede God haar het gemis van haar gezicht, door gaven van verftand, hart en vernuft heeft gelieven te vergoeden, die duizenden anderen , die zien kunnen, misken moeten.

Ook kunnen wij den verdienden lof niet weigeren aan twee fraaie lierzangen van a. h. haoedoorn,

wij

Sluiten