Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 233 )

deelden de te onbepaalde bewoording, waar in. die regel door fommigen hunner voorgangers vervat was, te moeten vermyden, en blootelyk by de algemeene verklaring te berusten; „ dat de wetgevende, uit„ voerende en regterlyke magten zo zeer afgefchei-, „ den en van elkander onafhanglyk gehouden behoo„ ren te worden, als de natuur van eenen vryen re„ geringsvorm het wil toelaten, of als beftaanbaar is „ met die keten van zamenhang, welke het ganfche „ ftelzel der Conftitutie in eenen niet los te maken „ band van eenheid en onderlinge overeenftcmming „ zamenbindt."

Deze woorden nu leiden ons als van zelfs tot het tweede punt, welk wy voorgenomen hadden hier te betoogen: namelyk, dat de meergemelde drie departementen van magt in zo verre met elkander behooren verbonden en vermengd te worden, dat elk derzelven dienen kunne om de anderen op eene conftitutionele wyze in toom te houden; en dat men, dit nalatende^ bevinden zal, dat de in der daad vereischte, en voor eenen vryen regeringsvorm onontbeerlyke, mate van affcheiding tusfchen dezelven, in de praktyk en op den duur, onmogelyk naar behooren kan in ftand gehouden worden. Men is het in 't algemeen daar op eens, dat het geP 5 za2

Sluiten