Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

516 VOORBEELDEN VAN LEVENDIGE DIEREN,

werdt daar in eene Pad gevonden, zonder dat men de geringde opening konde ontdekken, waar door hij in denzelven gekomen was. Op de befchouwing van het Uier was het waarfchijnlijk, dat het flegts eenen zeer korten tijd was dood geweest; en in dezen toeftand werdt het der Academie aangeboden, die den Heer guettard bewoog, daar over onderzoekingen te doen, waar van de bijzonderheden in de uitmuntende memorie, die wij zoo even aangehaald hebben, met genoegen gelezen zullen worden.

Deze verfchijnfelen doen ons aan anderen van eene gelijke natuur, en die even zeker zijn, denken. In den ftam eens Olmbooms, omtrent eens mans hoogte, drie of vier voeten boven den wortel, en juist in 't midden , werdt in 't jaar 1719 eene levendige Pad gevonden , van eene matige geftalte, dun , en welke flegts eene zeer kleine ruimte befloeg. Zoo dra het hout gekapt was, kwam hij 'er uit, en fprong zeer vaardig weg. Geen boom kon meer gevonden worden, geen plaats kon ontdekt worden, welk het Dier met mogelijkheid hadt kunnen doordringen; waar door de aantekenaar van het voorval meent te mogen onderifellen, dat het zaad, waar uit het is voortgekomen, door eenig wonderlijk toeval in den boom moet geweest zijn, van het eerfte oogenblik zijner groejing af. De Pad hadt zonder lucht in deu boom geleefd, en , dat nog meer te verwonderen is, hadt zich met de zelfsftandigheid van het hout gevoed , cn was naar evenredigheid van den groei des booms gegroeid. Deze zaak was bevestigd door den Heer hejïert, Oud Profesfor der Wijsbegeerte te Caen.

In 't jaar 1731, fchreef de Heer seigne aan de Academie der Wetenfehappen, te Parijs, een verhaal van een verfchijnfel, naauwkeurig gelijk aan het voorgaande, behalven dat de boom dikker, en een Eiken in plaats van een Olmboom was, 't welk het voorval nog verwonderlijker maakte. — Uit de dikte des eikenbooms , oordeelde de Heer seigne, dat de Pad, zonder lucht of eenig uitwendig voedzel, den tijd van tagtig of honderd jaren daar in aanwezig moet geweest zijn.

Wij zuilen nog een derde voorval bijbrengen , dat verhaalt wordt in eenen Brief van den 5 Februarij

Sluiten