Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 J. A. DE CHALMOT

trokkene waarheden. Terwijl descartes zich te Utrecht, onthieldt, vondt voetius zeer vele zaken in deszelfs Wijsbegeerte te berispen: doch dat hij daaraan Godloosheid toefchrij ft, ontftondt voornaamlijk uit de volgende grondbégmzels: — „ Dat hij, die een rechtfehaapen Wijsgeer wil worden, beginnen „ moet niet aan alles, zèlv' aan het Belleen van een „ Oppenvezen, te twijfelen — Dat dc Natuur of het „ Weezen van een' Geest, en zelfs van god , in Den„ ken beftaat. — Dat de Ruimte of het IJdel geen „ dadelijk beftaan heeft, maar enkel een fciiepzef der „ inbecldinge ,s en, bijgevolge, de Sloffe zonder paa„ len is.

„ Descartes verdedigde zijne beginzels, met zijne fcherpzinnighcid, tegen den Utrechtfchen Hoogieeraar; zijne Leerlingen en Navolgers oordeelden zich gehouden, in deze gelegenheid, hunnen Meester te helpen; en dus werdt de oorlog volledig verklaard. Aan den anderen kant hadt voetius niet alleen op zijne zijde de Godgeleerden van Nederland, die het meest uitftaken door haare geleerdheid, en beroemd waren wegens hunne rechtzinnigheid, als rivet, des marets en maastricht; maar ook het grootfte gedeelte der Néderiandfehe Geestelijkheid juichte hem toe, en volgde zijn geleide. Toen het vuur van twist reeds met genoegzame hevigheid brandde,werdt 't zelve zeer aangeftookt door dc handelwijze van zekere Lccraaren, die de beginzels en itellingen van descartes aanwenden tot het ophelderen van Godgeleerde Waarheden. Hier uit ontftondt in den Jaare 1656, eene hevige beroerte van Kerken en Ilooge Schooien der Vèreenigde Nederlanden: en men befloot, op verfchcide hunner kerkelijke bijëcnkomften, Clasfes geheten, zich tegen de Cartcfiaanen te verzetten, en niet toe te laten , dat die overheerfchende Wijsbegeerte derwijze doordrong in de Godgeleerdheid, en op deezc heilige wetenfehap zulke inbreuken maakte. De Staaten van Holland keurden niet alleen dit befluit goed, maar gaven 'er nieuwe kragt en klem aan, door een openbaar Bevelfchrift, dat zelfde jaar uitgegeven, bij 't welk den Hoogleeraaren in de Wijsbegeerte,, en in de Godgeleerdheid , verboden werdt , de fchriften van descartes voor de Letteroefenende Jongelingfehap te verklaaren, of de leerftellingcn van het Haan*

Sluiten