Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*5'° ij' van hamelsveld

En in de Aanmerkingen 'vs. i] „Wieden, Heidenen. — Die dood waart inzonden en misdaaden, dat is, aan den dood, als de ftraffe der zonde, onderhevig. Rom. VII. 10. — Dc Staan wordt in het Nieuwe Testament doorgaands voorgefteld, als zijne heerfchappij hebbende in-de duisternis der heidenfehe wereld. — Het Griekfche woord, welk de onzen door de lucht vertaald hebben , betekent ook duisternis, vs. 2] Kinderen der ongehoorzaamheid.~\ Dat is ongegeloovige en aan God ongehoorzame menfchen. ys. 3] Wij, Jooden; hetzelfde, welk paulus breeder betoogde in den Brief aan de Romeinen, dat beide Jooden en Heidenen even verdorven waren, cn niets bij God te roemen hadden. — Kinderen des toorns van natuure~\ Door natuur kunnen wij niets anders verftaan dan onze gefteldhcid, die wij van de geboorte af hebben, in tegenftelling van het geen wij door Gods ontfermende goedheid geworden zijn. — Kinderen des toorns feem Hebreeuw, fche fpreckwijze, toorn en ftraffe waardig. — vs. 5] Ons, Jooden, u, Heidenen, beiden "ftaan hier gelijk."

Daar wij ons hier in geene breedvoerige aanmerkingen kunnen inlaten , zeggen wij alleen , dat het gevoelen der Uitleggers is, dat de uitdrukking dood in tonden en misdaaden, hier door den Apostel gebezigd, ons op den zedelijken jammerftaat wijst, waar in de Efeziërs, vóór hunne bckeering tot het Euangelie van christus , geleefd hadden. — Dan tegen deze opvatting zijn onlangs eenige bedenkingen" ingebragt. (*) Derzelver Schrijver merkt op, dat daar 'paulus den ftaat der onwedergeborencn beftendig als een leven in de zonde befchrijft, (f) volgends zijn gevoelen de Apostel juist het tegcngcfteldc met deze' uitdrukkingen wil te kennen geven , van het geen men gemeenlijk vermoedt; naamlijk, „ dat de Efeziërs der zonde „ geftorven, dat zij dood waren ten opzichte van de mis3, daaden, wijl zij van derzelver overheerfchenden invloed,

(*) Algem. Vader!. Letteroef. voor 1791. No. XIV Men» gelw, Bl. 58Ï en volgg. (!) Rom, VI. 3, VHI, 13, 13, Colts/. III. 7. Tit. UI 3-

Sluiten