is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsche bibliotheek van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44?

G. BONNET

den grooten Leeraar en zijne Apostelen, als getrouwe getuigen der waarheid erkennen. Hij zal echter niet uitweiden tot alle de voorzeggingen, die uit het O. in het N. T. worden aangehaald, erkennende gaern, „ dat er fomnngen onder zijn, in welke niets bijzonders fchijnt op te merken te zijn, buiten eene bloote accommodatie." Maar anderen worden zoo aangehaald, dat 'er tegelijk aangewezen wordt, dat het waare voorzeggingen zijn van

die zaken, van welken daar gehandeld wordt. Nu

komt de Hoogleeraar tot zijn onderwerp zelve, het welk hij andermaal als belangrijk voordek, trouwens, indien men zijne Helling, welke de bovendaande vraag bevestigend beantwoordt, ontkent, is het bewijs uit de Voorzeggingen voor de waarheid der Openbaaring van geen gewigt. — En hebben de Profeeten van dezen doorluchtigen Perfoon en zijn rijk gezwegen, zoo'zou even daardoor veel aan deszelfs waardigheid en luister onttrokken worden. — Wij Christenen zouden jesus niet als den beloofden messias kunnen erkennen, en al wat onze Heer en zijne Apostelen zeiven hier van gefproken hebben, zou verdicht wezen. ' Thans voert de Hooglceraar zijne bewijzen aan, dat er niet flechts weinige, maar zeer veele Godijiraken betreffende j e s u s in het O. T. ftaan, dewijl jescs zich algemeen op mos es en de Profeeten beroept, gelijk ook de Apostelen b. v.hand. XIII: 27—20. XVII 2, 3. XXVIII: 23. — Zelfs zijn 'er zoodanige Voorzeggingen, buiten die, welke met even zoo veele woorden in het N. T. worden aangevoerd, b. v. de Moederbelofte , of het Eerde Euangelie, gelijk men het noemt. — Maar nu zijn 'er, ook in den lof van geleerdheid bloeijende mannen, die beweeren, dat 'er of geheel geene, of flechts weinige zoodanige Gödfprakèn in het O. T. gevonden worden. — Dezer mannen redenen draagt de Redenaar voor — en beiintWuordt de bijgebrachte redenen, op den voet. — Het geen zij van de onkunde des Israëlitifchen volks zeggen, moet men aan geleerde bedriegerijen toefchrijven, met welken zij de onvoorzichtigen misleiden. — Geen verdandig Uitlegger der H. Schriften zal ontkennen, dat mén uit de enkele aanhaling der plaatzen uit het O. T. in het N. niet kan befluiten, dat deze allen voorzeggingen zijn, maar de vraag is alleen over die, welke als zoodanig door christus en de Apostelen aangehaald worden.

— Aan