is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsche bibliotheek van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de leer per doopsgezinden gehandhaafd. 449

de afwijking van de zuivere Euangelieleer, waaraan veeIe nieuwe Hervormers zich fchuldig maaken. —

De vier volgende brieven bepaalen zich alleen bij den Eed; zij behelzen — een onderzoek , wat bij den Rechter en hedendaags ch door den Eed verft aan word, en van waar diè< zijnen oorfprong had in voorige bedeelingen - in een» verklaaring van Matth. V: 33 - 37. en 'jfac. V: 12. — In eene opgave en beóordeeling van de redenen ter verdediging van de geoorloofdheid van den Eed -■ en in eenuit dit alles afgeleid befluit tot de ongeoorloofdheid van den Eed en de daar uit voordvloeiende verpügtingen. Zie hier den hoofd inhoud dezer onderzoekingen : —— Na eene voorafgaande bepaaling van den Eed, ontleend uit pictets zedekunde en uit den Heidclbergfchen Catechismus, zoekt hij den oorfprong van den Eed op. Hij vindt dien in het denkbeeld van eene onmiddelijk en op eene boven natuurlijke wijze werkende Voorzienigheid , en van eene nauwe en bijzondere betrekking van God op het Israëlitifche volk, bij het welk de Eed het laaist Appél was op den hoogden Koning. Van hier dat de Eed bfj eene toenemende ontwikkeling en befchaaving des verdands, waarbij de denkbeelden eener onmiddelijke en bovennatuurlijke werking der Voorzienigheid in het gewoon beduur der wereld van zelf ophielden , ook noodeloos werdi. gehouden. Jesus , die zo veel tot opklaaring van deze waarheden toebragt, moest dus ook den Eed , als niet voegzaam , als overtollig , ji zelfs, bij die gezuiverde denkwijze als ongeoorloofd befchouwen. Hij verbiedt dezelve uit dien hoofde. Matth. V. en^Apostel tacobus Iloofdd. V. — Dit zoekt de Schrijver te daaven tegen hun, die in deze plaatfen alleen een verbod van ligtvaardige Eeden vinden, tiet duk in gefchil is , gelijk men weet , eenigdns fljstematiek» en daarom zijn wij* te minder genegen, om hier een beflisfend vonnis te vellen. De voorbeelden in de bladeren des n. t., waaruit bet fchijnt dat zelfs j esus en zijne Apostelen den Eed niet geheel en al hebben gemijd , bij voorbeeld, Matth. XXVI: 64, 65. Rom. IX: 1. Gal. I: 20. 2 Cor. I: 23. 2 Tim. IV: 1. kwamen ons altijd als eene gewigtige tegcnbedenking voor bij de voldrekt letterlijke verklaaring van deze gezegden. Dan dit durven wij den Lezer verzekeren, de Schrijver heeft voor zijn gevoelen zo bondig gepleit, dat wij zijne betoogen aan de erndige overweging van alle ootdeeikundigen durver»

vad. bibl. vu. deel. no. io. Ff aan-