is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsche bibliotheek van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DPR MENSCHELIJKE KENNIS*

445

geerte wordt niet verzadigd; het nagejaagd voorwerp is eene ijdle fchaduw, die met alle zijne moeite en kommer den fpot drijft ; niet zelden doet dén enkele mistred hem van de deilte in eene peillooze diepte nederploffen, om in de afgrijslijkde ellende te verfmooren. ö Dat het gevoel van onze onkunde ons dan onderwerping leere! Dat wij onze begeerten beteugelen, en ons geduld geduurig verlterken! In de bitterde tegenfpoeden vertroost ons de gedachte , dat ons lijden afgewisf.ld wordt door vreugde; dat de weg der ijslijkite fmart welligt op de wooningen der vreugd uitloopt. Zijn wij onkundig, op welk eene wijze ons geluk bevorderd wordt; dan moet een zoete tevredenheid ons lot overfchaduwen; dan moeten wij elke zaligheid des levens met dankbaarheid genieten, onze traanen afdroogen, en, vertrouwende op de Godlijke zorg, ons zeiven opbeuren ; alles moet mede werken tot ons geluk ; niets is in ltaat, om ons immer te fcheiden van de godlijke liefde des Almachtigen.

Verfcheiden zaken mogen wij evenwel als goed befchouwen, en zoeken te verkrijgen; een opgehelderd verdand, eene bloeijende gezondheid, waare vrienden, en eene maatige bezitting. Wie deze dingen als zijn eigendom befchouwt, zonder ze te genieten met dankbare vergenoeging, heeft zich beneden de menschheid verlaagd. Laat ons' dan, waardige Natuurgenoten! de waare rust der ziel aankweeken, en in de betrachting van onzen pligt een waarachtig heilzoeken. De deugd, of de godzal'gheid, heeft de beloften van dit en van het toekomend leven. Streeven wij dan rustloos voord naar zedenlijke volkomenheid; eenmaal zullen de fchadmven verdwijnen, en de waare zaligheid zal voor ons opdaagen; eenmaal zal eene maatfchappij van geiukkigen gevestigd worden in het gewest des vredes, waar geen fchijn bedriegt, waar geene teleurdelling pijnigt; daar zullen wij het geluk in zijne waare zelfflandigheid aantreffen; dat geluk, waarvan het fchaduwbeeld ons in dit leven zoo bekoorlijk vleide. Alle onze vermaaken , alle onze genietingen moeten uit ons deugd-beminnend hart voordvloeijen; dan behaagen zij aan onzen eeuwigen Vader; dan verheugt zig jesus , onze godlijke Broeder, in,onze blijdfehap; terwijl de zalige Hemellingen ons als erfgenaamen tier eeuwige heerlijkheid beminnen. Wat fehaadt dan tog onze onkunde? Wij kennen onze wezenlijke belangen, en dit is genoeg: het is nog niet