Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3^

j. D. h assenkamp

te promoveeren,, en eenen aanvang te maken met hii geven van lesten. Hij verdeedigde ten dien einde, onder voorzitting van zijnen Vader, eene Verhandeling over de Oudheid der Hebreeüwfche Vokaalen, en kort daar na in 1740 eene Verhandeling als Voorzitter over Pf. XXII: 17. Ook maakte hij in dat zelfde jaar een begin met het geven van lesfen , waar in hij gelukkig Haagde; — D«t.< met het volgende jaar moest hij dit werk ftaakcn, door dien zijne Reis na Engetand'tozn opkwam. In zijne reize derwaards door Holland, leerde hij den Grooten schul tens kennen, en in Engeland zelve had hij zeer veele genoegens, en decdt'danr veele nieuwe denkbeelden op: vooral ook in de Godgeleerdheid ; fchoon hij (naderhand tot zijn fpijt) verzuimde kennis met lowth, en het regte gebruik van de zoo beroemde Bodlejaanfehe Bibliotheek, te maken.

Bij zijne wederkomst te' Halle, in 1742, begon hij terftond Collegïèn te houden , zoo wel over den Bijbel, en de Sijrifche en Chaldeeuwfche Taaien , als over de Natuurlijke Historie, en Latijnfche Schrijvers. Ook betrad hij in dien tijd dikwijls den kanfel, waar aan hij in Engeland was gewend geworden, en nam doorgaands den post van zijn' Vader , als Bibliothecaris der Akademie-Boekerij waar. Hij hieldt zijne lesfen met veele toejuiching;

Door munchhausen na Göttingen beroepen, vertrok hij in het najaar van 1745 derwaards, eerst was hij Leiior of bijzonder Onderwijzer, dan in den jaare 1746 werdt hij buitengewoon, en in 1750 gewoon Hoogleeraar, beide kceren in de Wijsbegeerte. En fchoon hij wel onderwijs in de Qosterfche Taaien gaf, heeft hij echter nooit den eertijtel van Hoogleeraar in dézelve gehad. — Hier wierden haller, segner en geszner zijne vrienden. Ia 1751 werdt hij op begeerte des Eerflen Secretaris van de toen opgerichte Maatfchappij der Wetenfchappen te Göttingen £ Medefchrijver en Opziener van de GSttinger Anzeigen, doch legde in 1770 beide deze posten neder, en verliet tevens als gewoon Lid de Maatfchappij. — In den jaare 1761 kreeg hij den tiitel van Hofraad.

Van Bladz. 50 — 64 fpreekt m. van bijzondere om-' Handigheden, welke Hannover , Göttingen en hem, in den zevenjaarigen Oorlog, in 't bijzonder betreffen * doch welke bij hem zeiven moeten gelezen worden.

Ver-

Sluiten