Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LAS CASAS» J23

van Godlijke glorie afgebroken, en rondom van heirfchaaren omftuuwd, die uit de werelden opvoeren, en

weêr tot haar nederdaalden.

Naauwlijks hadt dit zijn oog gezien en zijne ziel bewonderd, toen voor hem een Engel ftond , met den ernftigen blik een's rechters, in zijne linke hand hieldt hij een rol, die zijne rechte ontvouwde. Doodsangst, gelijk den misdadiger, op het gezicht der gerechtsplaats aangrijpt, waar hij bloeden moet, bezielde den lidderenden grijsaart, als de onfterflijke het eerst zijn naam uitfprak, en hem dan voorhieldt alle die hooge en edele krachten, in zijne ziel gelegd, die goede en zachte neigingen, in zijn bloed bereid, en die aanleidingen en hulpmiddelen tot deugd, zijnen geest ingeweeven, zoo dat hij geloofde dat alle zijne goede hoedanigheden van God kwamen, en niets hem zou overig blijven, dan zijne dwalingen en zonden.

Als nu de Engel zijn leven begon, zoo zocht Inj naar de misftappen zijner jeugd, maar hij vondt ze niet. De eerfte traan van berouw hadt ze allen uitgewischt. Dit berouw alleen ftondt aangeteekend, die traan, en elk ernstig voornemen tot het goede, iedere fchaamte over een vernieuwd misdrijf, elke ftille zegepraal bij een' volbragte pligt, iedere verlocheinng van zich zeiven, en elke edele, zegerijke ftnjd met zinlijkheid , die oproerige tegen God. — Daar beurde de hoop zijn hart op ; en offchoon zijne gebreken talrijker waren, dan het zand der zee, zoo was 'er toch ook overvloed van het goede en edele; ja het goede wiesen en de gebreken verminderden, hoe meer hij in jaaren aangroeide, en ondervinding en nadenken de kracht der ziele, gelijk de beoefening der deugd , de neiging en het vermogen , verfterkten. En toch was het beste van hem niet volkomen voor God, en de bron der edelfte daden op haaren grond nog troebel.

Maar haastig verhoogde nu de Engel den toon , en zijne reden ftroomde, want de jongeling was een man geworden, en als held der menschheid opgetreden, in die Eilanden, welke, te vooren gewesten van zegen en vrede , maar nu plaatfen van vloek waren en moord. Wat hij hier leedt , die edele, en nog meer, wat hij hier verrichttede; hoe elke nood der onicnuld zijn eigen werdt, en hoe hem de geheele ziel tot eene werkzaamheid aanvuurde, die in zijnen ouderdom nog

voord-

Sluiten