Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 VMenfehen aanleg

zonden uittekrijten. De ervarenis leert, mijns oordeels, niet, dat 'er geene zuivere deugd bij de menfehen plaats heefc: ja, zij kan dit niet leeren, om dezelfde reden, waarom zij ons van het beftaan eener zoodanige deugd, Of geheel belanglooze goedwilligheid, in weerwil zelfs der fchitterendfte voorbeelden, nimmer kan overtujgen,

De fchitterendfte voorbeelden toch, dia ons de ervarenis, het zij dan in het dagelijkfche leven, het zij in de gefchiedenls, aanbiedt, kunnen ons flegts uiterlijke daaden, maar geene beginzelen, aantoonen; om welke laatften nogtans het, in de bepaaling der zedenlijke waarde, alleen te doen is.

ö Gij, die de zaak meent aftedoen mee een beroep op de ervarenis! Gij wijst ons naar den grooten man; en wij — wij zoe. ken den goeden, die, naar de aanmerking van Montesqüieü (*;, zeldzaamer is, dan de

groo-

(*) ta plupart des hommes Czegt hij, in zijne Pen, fées diverfes) font plus capables de grandes actions' 'ine de bonnes. Eigenlijk gefproken, verdient hij al ken den naam van groot, die mer zijne grootheid van $eestta,lenten C welke bij de waerdd doorgaands alteen

gree$.

Sluiten