Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ga ■ Gefprek over zèdenüjkheid en pligt'.

neiging voordkomen ; en hoe kunnen ze mij toegerekend worden , daar zij, in den grond, eigenlijk niet mijne handelingen zijn , en hei; mijne fchuld niet is, dat ik ze begaan of nagelaten heb? 13. Ach; dat doelt opdien ouden afgezaagden twist, over den vrijen wil, die nooit beflist kan worden, omdat het eene hirfenfchim is. Vrijheid is het vermogen om dat gene te verkiezen, of te verwerpen, wat men als goed of kwaad erkent, Eene andere vrij* heid is even zoo onnoodig, als onbewijsbaar. A, Als uw akker rijklijk inbrengt , of de blixem uw huis aanlteekt, is dat goed of kwaad ? B. Dat is toeval. Hier is de vraag van menschlijke befluiten en handelingen, en wat daar door gewrogt wordt. A. Wel nu , als iemand dan aan zijn* zieken testateur vergif ingeeft , om hem van kant te helpen ; maar dat vergif doet juist eene tegengeftelde uitwerking, en maakt hem gezond: zoude die daad dan wel kwaad zijn ? B. Zeer zeker. De 'erfgenaam wilde het kwaad , den dood; niet het goede , de gezondheid. A. Zoo is het dan eigenlijk de wil, die goed of kwaad is: niet de voorwerpen, die men erlangen, of vermijden wil. Dezen zijn, als zoodanig, nuttig, of fchadeiijk: verder niets. Zij hebben op het goede of kwaade , op het zcdenlijke der handelingen en befluiten, volftrekt geen' invloed, De dood, naamlijk, is fchadeiijk:

maar

Sluiten