Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«4» 's'Menfchen aanleg tot gehoven.

door gij uwe ondervindingen van blaauw, rood glad, ruuw, zuur, zoet-, en wat gij voord, van zulk eenen aard noemen moogt onmiddellijk onderfcheidr ?

G. Alleen mijn zelfsgevoel.

G. Gij vindt u dan op deze of gene wijze aangedaan, en brengt deze uwe ondervindingen op een voorwerp over; even als o* het eigenfchappen van dat voorwerp waren. Is dit uwe meening niet, Glauco? of is er buiten uw zelfsgevoel, nog iets anüers, dat gij waarneemt, wanneer gij iefs als rood meent te zien, of als glad te voelen 9 Bedenk u wel, mijn Vriend! eer gij andwoordt. &J

G. Ik fta verbaasd, Parmemdes! nu ik inzie dat ik, het gene flegts in mij is, overbreng* op iet, buiten mij. Ja, waarlijk, het is zoo! Ik zie het, en egter kan ik 'er mij met van onthouden. Maar evenwel — vergeef mij, zo mijne vraag u onnozel voorkomt ~ ,s 'er dan volftrekt niets buiten mij, dat ten minflen den grond bevat, waar

wii2igtoge„

P. Vergeet niet, Glauco! dat wij hier van

Sluiten