Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VMenfchen aanleg tot gehoven. 241

weten fpreken, niet van denken, en dus niet van de wetten, volgends welken ons ver. ftand werkzaam is De dagelijkfche mensch ftelt voorwerpen buiten zig; twijfelt nooit aan derzelver wezenlijkheid; vindt zelfs dien twijfel belagchelijk : of, komt hij al zoo verre, dat bij het gene hij door de zinnen waarneemt, voor bhot verfchijnzel houdt; dan ten minften fpreekt hij vertrouwelijk van dingen, op zig zeiven , die, als zelfftandigheden, den grond der, door hem waargenomen , eigenfchappen bevatten, en die, als door eene geheime toverkracht, op zijne zinlijkheid inwerken. Maar de Wijsgeer , met de ontleding des menschlijken geestes bezig, ontwart dit verwarde fpel van weten en denken: terwijl hij tevens de reden duidelijk inziet', waarom de Onwijsgeerige, noodzaaklijk, eene dwaling blijft koesteren, welke het gevolg der gemelde verwarring is.

G. Maar, in ernst, Partnenides! is 'er dan, buiten mij, niets, dat den grmd bevat, waarom het eene, bij voorbeeld, mij rood, het andere blaauw toefchijnt; waarom mij het eene zoet, het andere zuur fmaaut?

P. Onderzoek u zeiven, Glauco ! Wat is het, waar van gij u bewust zijt, als gij iets ziet, hoort, of voelt?

Q3

Sluiten