Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den Uitgever» enz, S6"»

Zeker, niet deze, maar de Heer S. W. heeft zig, bij mangel van kalmte, altans van geduld in 't behoorelijk onderzoeken van de begrippen van Kant, leelijk voorbij gelopen. Getuige zij, op nieuw, deze zijne redekaveling tegen hec beflisfende der, door Kant bedoelde, algemeenheid! Hec algemeen gefchieden, zegt hij zelve, is geen bewijs van hec algemeen moeten gefchieden. Die moeten dient dus noodzaakiijk van elders te worden bewezen. Waar uic nu zal die worden bewezen , indien niet uic de algemeenheid van de form der Rede , waar door zij, noodzaaklijk, aan elk, wiens rede oncwikkeld is, denpligcvoorfchrijfc, enhemgebiedc zoo te handelen, als hij (niec als zin. lijk', maar) als redelijk wezen, noodzaaklijk willen moec, dac door een' ieder gehandeld worde? Weec S. W. een' anderen proeffteen, dan dezen regel ? Indien deze niec doorgong, waar blijfc hij elve dan mee die deugden, welken hij ontwijfelbaar noeme, en die hij zege dac afremeen moeten plaats hebben, even daarom, dat zij deugden zijn? Doch de goede man heefc de algemeenheid, eegen welke hij vege, niec verftaan : en dit is (om zijne eigen woorden ce gebruiken) de grond der misvatting. Een weinig meer gedulds in hec onderzoek zal, benevens de noodige kalmte, hem in ftaat ftellen om zijne misvatting incezien, en zal hem behoeden om andermaal zig Aa 4 voor»

Sluiten