Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROORDA.

352

Mj zich hier over uit, in zeer fterke bewoordingen. Hij be« paalde zijne bekommering niet binnen zijn Gewest, maar deelde dezelve ook elders mede; fchrijvende, onder andere, irj den Jaare 1597, aan die van Enkhuizen, bij manier van waarfchuvvinge, zij hadden op hunne hoede te zijn tegen de oog* merken van het Huis van Nasfau. Hoogloopende twisten ontflonden hier uit tusfchen den Stadhouder en den Heer roorda; die, evenwel, te vast op zijnen Stoel zat, om van denzelven te kunnen geftooten worden; waar na men ernftig verlangde. Zelf trokken zich de Staaten van Holland roorda'» fchrijven aan; vervoegende zich deswegen bij de Staaten van Fiiesland, met ernftig beklag, en nadruklijke Vertoogen, om de eere en den goeden naam, zo van den Prinfe als van den Graave, te handhaaven. De uitftag van deezen twist is ons niet gebleeken. —- De zelfde geest bezielde abraham roorda, broeders Zoon van den laatstgemelden. Merkelijk misnoegen heerschte'er, in Friesland, in den Jaare 1635, en vroeger, tegen de Stadhouderlijke Regeering,'zo als deze'lve, ten dien tijde, was ingerigt. Naa lang zoeken, wist men^ eindelijk, te bewerken , dat de Stadhoudersgezinde Aanhang ten Land3dage, het onderfpit delfde, en de zodanigen tot den' zeiven gemagtrgd wierden, welke men, tot nog toe, buiten bewind hadt weeten te houden. Abraham roorda was een van deezen. Op de Landfchapsvergadering van gemelden jaar, wierdt hij benoemd, om, van wegen het Kwartier van Oos. tcrgo, zitting te neemen in het Kollegie van Gedeputeerde Staaten. Thans ftondt hem de kans fchoon, om, naar zijn inzien, 's Lands oirbaar te bevorderen. Hevige klagteu hoorde men, ten dien tijde, over het (legt beftuur van 'sLands Geldmiddelen, met naame ook over den Algemeenen Ontvanger joan van eootsma. Deezen, die onder zeer kwaade vermoedens lag, begeerden veelen tot rekenfchap te vorderen. Doch hij hadt op zijne zijde, behalven het Kwartier van Zevenmu. den, de Wethouderfchappen der meeste Steden, die wederom van de hand des Stadhouders vloogen. Hierom zogt men te bewerken, dat de Steden gefteld wierden in het regt van be fteliinge over haare eigen Regeering, die thans aan den Stadhouder van het Gewest ftondt. Wel haast kwamen, ter tafal

der

Sluiten