Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 31

Tot dat eensklaps door een rukwind het fchip op zij fchokte, waar door een zeil doeg over boord.

! Dat ons meê nam en deedt in zee ftorten :de Matroozen, die in de boot waren, wb rpen voort

Touwen uit, om ons te redden, waar ik, bij wondere beftiering, een end van heb bekomen,

1 En daar door ben behouden gebleeven , doch van mijn' armen vader, heb ik, federt, niets vernomen.

! Hij beeft, waarfchijniijk, door ds duisternis en ontroering, geene to.iwen of boot kunnen bemerken of zien,

i En dat l eeft hem doen vergaan. Oordeel nu of ik hem wel anclre hulp heb kunnen biên?

CORNELIA.

1 Och Frederik, wat een hard noo.lló*t! kost dan je deug I jóu niet langer, als een fchild voor zulk een' onüjdigcn dood, bedekken?

FRANCIJN.

6 Hoe dikwijls ziet men de deugdeUjkffe menfehen in vollen bloei ons door die vreesfelijke klaauw, onttrekken 1

[Daar integendeel de ondeugd, die men wel wenschte te misfen, tot een hoogen ouderdom geraakt.

CORNELIA.

^Vaar voort Coenraad, ik viel je in de rede; boe heb je 't toch verder toen gemaakt?

COENRAAD.

Uk ben dan, zo als ik heb gezeid, door behulp van deze gasten, behouden in de boot gekomen,

iWaar meê wij voord roeiden, roepende en fchreeuwende, om ons bekend te maaken, tot dat wij' eindelijk door een Loots-fchmt wierden overgenomen ,

Die

Sluiten