Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. 17

is in acht genomen, door de woorden * aan welken, volgends den nederduitfehen fpraakvorm, de klank van den fcherpen langklinker verbonden was, met eene dubbele letter te fpellen, om dezelven dus te onderfcheiden van de anderen, waarin de zachte langklinker plaats had. ,

De verdeeling der klinkeren, volgends derzelver kortte en langte, wordt door den taalkundigen A. Kluit (*), naar aanwijzing van L. Ten Kate (**), dus opgegeven: bij ons is

a kort, in dan: lang in daar.

e zacht-kort in de, we: zacht-lang in geef, week: (den tijd van zeven dagen) — fcherp-kort in bel, fnel: fcherp-lang in been, week, (zacht).

i kort in min , zin: lang in mijn, zijn.

o zacht-kort 'm bot, dom, kom: zacht-lang in kookt, door. Maar die zelfde is ook fcherp-kort in /lot, zot, ft rot: fcherp-lang in doof, ftroomt boom.

u kort in dun, vunzig: lang in muur, zuur.

Wij zien dus, dat alleenlijk aan de e en o een zacht-lang en fcherp-lang geluid toegekend wordt. En het is omtrent de behoorlijke onderfcheiding hiervan , dat het meeste verfehil in de fpelling plaats heeft.

Men zou, dunkt mij, tot eenen algemeenen grondflag kunnen leggen, dat alle klinkers, welken

op

(*) N. Bijdragen, D. i. bi. 297. ,(**) Aanleiding enz. D. i. bl. 147.

Tnparjtng van bet sacbt-lang*

Sluiten