Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

INLEIDING.

tien, trachten, treuren, twijfelen, vasten, vechten , volharden , vuren , waken , woeden , ijveren, zondigen, zweren enz., b. v. die pijp heeft niet aangefproken, wij hebben gearbeid, zij hadden beraadflaagd, de boom heeft gebloeid enz. (*).

Intusfchen zijn er onzijdige werkwoorden, die, in de vervoeging, zijn vorderen, en echter meer een bedrijf, dan lijden aanduiden, b. v. komen, dalen, verfchijnen, landen, opftaan enz., als ik ben gekomen , zij zijn gedaald, hij is verfchenen enz.

Even zoo zijn er, die met hebben vervoegd worden, en nogthands meer in eene lijdende, dan bedrijvende beteekenis voorkomen, b. v. lijden, rusten, zitten, flapen, afhangen, fluimeren , grenzen , toebehooren, verwijlen enz., als ik heb geleden, gerust, gezeten, geflapen — zij hebben mij afgehangen enz.

Ook is er een aantal van onzijdige werkwoor den, die, eene beweging, en dus meer een bedrijf, dan lijden aanduidende, met zijn en hebben, beide vervoegd worden. Dan, het is aanmerklijk, dat, wanneer daarbij tevens de plaats wordt aangewezen, waar de beweging gefchiedt, die woorden dan, genoegzaam altoos, met zijn voorkomen; b. v. hij heeft lang genoeg gegaan, en wij zijn tot aan de poort gegaan — ik heb den ganfehen

dag

(*) Het fpreekt van zelf, dat alle onzijdige werkwoorden, welken als wederkeerige gebruikt worden, in de vervoeging, het hulpwoord hebben aannemen, dewijl het wederkeerige voornaamwoord, daarbij, als lijdend voorgefteld wordt: ik heb mij meed* gegaan, gereden, geleofe» bij beeft zitb balfdeed gevallen enz.

Sluiten