Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bul, b ü n.

het oude lol, d. i. rond. KtL. brengt het tot het gr< BUL BAK, zie bullebak.

BULDEREN, bolderen, onz. w., gelijkvl. Ik bulderde t heb gebulderd. Klanknabootfend woord, ontleend van het geluid des winds: de wind buldert. Met bulderende fiormen. Oud. Figuurl., een hol, hard geluid maken: eene bulderende fiem. Verder, razen , tieren: hoor haar eens bulderen. Van hier bulderaar, bulderer, bulderig, en, in den gemeenen fpreektrant, bulderbas, een woest mensch, die fchielijk raast en vloekt.

BULHOND, z. n., m., des bulhonds, oïvan den bulhond; meerv. bulhonden. Van bul en hond. Eene foort van honden, die gebruikt worden, om, bullen en andere wilde dieren te vangen. Bij ons, eene foort van groote honden , die huis en hof bewaken. Van hier , in de gemeenzame verkeering: ik zal, als een bulhond, voor u •waken.

BULKEN, onz. w., gelijkvl. Ik bulkte, heb gebulkt. Klanknabootfend woord, ontleend van het geluid, welk ftieren en koéijen maken. Ook van menfehen, voor hard fchreeuwen, een onaangenaam geluid maken: hij zingt niet, maar hij bulkt. Van hier bulking.

BULLE, zie bul.

BULLEBAK; bulbak, z. n., m.,.des bullebah, of van den bullebak; meerv. bullebakken. Van bul en bak, voor het aangezigt. Bullebak is, derhalve, zoo veel als ftierengezigt. In de gemeenzame verkeering, wordt het voor een fpook, ook voor een (tuursch en afzigtig mensch, gebezigd , die iemand ligtlijk kan verfchrikken : tk zie V daar voor aan , dat de Sax en zijn bondgenooten den Zweed gaarne voor eenen bulbak zouden bezigen. Hooft.

BULSTER, z. n., vr., der, of van de bul/Ier; meerv. buljlers. Bed, matras: de groote Koning jlaept op eene ftroje bul/Ier. Vond. Zie bol/Ier.

BUL f , z. n., m., des bults, of van den bult; meerv. bulten. Van bol. Verkleinw. bultje. Bogchel, hooge rug: Goverd met den bult. Ook voor iemand , die eenen bult heeft, in den gemeenen fpreektrant, en met verachting, of alfpottende: ik heb den bult, gisteren, gefproken. Van hier bultachtig, bultenaar, bultig. Bultzak is een fcheepsbed, met ftroo gevuld, bij Kil. bulte.

BUN, z., n., vr., der, oïvan de bun; meerv. bunnen. Eene vischkaar. Zie beun.

BUN-

Sluiten