is toegevoegd aan je favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G e„ iö3

GEWEZEN, bijv. naamw. Die, of dat geweest is: mijne gewezene leermeesteres. OüD. heeft noggeweesde. Oüli was dit gewezen ook liet verled. deelw. van het werkw. wezen, waarvoor wij thands geweest bezigen.

GEWIEKT, bijv. tl. en bijw. Dat met wieken verzien is: de ouden fchtlderen Merkuur met eenen geviiektsn hoed. Oneigenlijk wordt het, in den dichterlijken eil verhevenenttijl, gebruikt, voor fnel opklimmend: elk ónzer jflomme hartetranen werd een gewiekte lofzang, die voor den troon der Godheid opjleeg. — Mijn vluggewiekt ezuch-

, ten verheffen zich om hoog. M. L. Tydw.

GEWIGT, z. n., o., des gewigt s, of van het géwigtl meerv. gewigten. Afweging; zonder meervoud : iets-ij het gewigt verkoopen. Dat afgewogen is; zmder meervoud: ik heb mijn gewigt nog niet. — JJat, waarmede men de zwaarte bepaalt en afweegt; meteen meervoud : ik heb de gewigten laten ijken. Hij verkoolt met keulsch gewigt. De luoden aan een uurwerk : de gewigten optrekken. Zwaarte: er is gewigt aan; zonder meerv. Belang, aangelegenheid : hv deelde mij eenezaak van veel gewigt mede, zonder meerv. De horens Van een hert worden,

Y^>eI?d.e tMl der J'^ers' ook bet geheten.

GEWlUllG, bijv. n. en bijw., gewigtiger, gewigtivst Dat zijn gewigt heeft; doch hiervoor gebruikt m*n liefst, wigtig. In den fchertfenden fiïjl zegt men vart eenen lijvigen karei: dat is een gewigt tg mensch. Anders is het, bi; overdragt, zoo veel als belangrijk: /* heb eene gewigtige zaak onder handen. Hij is een gewigti" mensch \ heet ook zooveel als, hij is van eene groore en beproefd.' wairde. Van hier gewigtigheid. Zie ig.

GEWIJFD, bijv. n. en bijw. Van wijf. Éen'wijf hebbende: Wel gemand en gewijfd. F. de VVael:

GEWIJSDE, z. n., o., des gewijsdes, of van hei gewijsde ; zonder meerv. De uitwijzing, het uitgewezene vonnis des regters. Het gewijsde voldoen.

GE WIJZE, van wijs, wijze, met het voorgevoegde ge Men bedient zich van dit woord alleen achter andere naamwoorden, om de wijs, gelijkheid van iets aanteduiden : trapsgewijze, kringsgewijze. — Zoo rukt hij kruisgewijs enz. Vond. Anders bezigt men ook wel wijze alleen, zonder ge: trapswijze vordering — de vormswiize beweging van de darmen.

GÈW1LD, bijv. n.. en bijw., zijnde het verled; deèlw; van wtllem Gewilder, gewildst. Dat gezocht wordt ja L 2 M